Naar hoofdinhoud
1. Elke Staat-Partij neemt de maatregelen die nodig zijn om zijn rechtsmacht vast te leggen met betrekking tot de in artikel 2 genoemde strafbare feiten, wanneer het strafbare feit wordt gepleegd: tegen of aan boord van een vast platform dat is gelegen op het continentale plat van die Staat; of door een onderdaan van die Staat. 2. Een Staat-Partij kan eveneens zijn rechtsmacht met betrekking tot genoemde strafbare feiten vastleggen, wanneer: het feit wordt gepleegd door een staatloze die in die Staat zijn gewone verblijfplaats heeft; of tijdens het plegen van het feit een onderdaan van die Staat wordt vastgehouden, bedreigd, verwond of gedood; of het feit wordt gepleegd in een poging die Staat te dwingen tot het verrichten of het zich onthouden van een handeling. 3. Elke Staat-Partij die de in het tweede lid bedoelde rechtsmacht heeft vastgelegd, stelt de Secretaris-Generaal van de Internationale Maritieme Organisatie (hierna te noemen „de Secretaris-Generaal”) daarvan in kennis. Indien een Staat-Partij daarna deze wetgeving intrekt, stelt hij de Secretaris-Generaal daarvan in kennis. 4. Elke Staat-Partij neemt de maatregelen die nodig zijn om zijn rechtsmacht vast te leggen met betrekking tot de in artikel 2 genoemde strafbare feiten ingeval de vermoedelijke dader zich op zijn grondgebied bevindt en hij deze niet uitlevert aan een Staat-Partij die zijn rechtsmacht heeft vastgelegd in overeenstemming met het eerste en het tweede lid van dit artikel. 5. Dit Protocol sluit geen enkele krachtens de nationale wetgeving uitgeoefende rechtsmacht in strafrechtelijke aangelegenheden uit.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel