Naar hoofdinhoud
1. Tuchtrechtelijke aangelegenheden blijven voorbehouden aan de bevoegde autoriteiten van de zendstaat. 2. Het personeel van de zendstaat en zijn gezinsleden eerbiedigen de op het grondgebied van de ontvangende staat van kracht zijnde nationale wetgeving en zijn hieraan onderworpen. 3. Het personeel van de zendstaat geniet immuniteit inzake elk strafbaar feit dat wordt begaan en elke handeling die wordt verricht tijdens zijn verblijf in de ontvangende staat bij de uitoefening van zijn officiële taken ingevolge dit Verdrag. Daarnaast wordt het personeel van de zendstaat gevrijwaard van juridische procedures van welke aard dan ook, met inbegrip van verzoeken om uitlevering van derde staten, inzake strafbare feiten begaan voorafgaand aan zijn binnenkomst in de ontvangende staat. 4. De regering van de ontvangende staat kan de regering van de zendstaat verzoeken de immuniteit van een lid van het personeel van de zendstaat in aangelegenheden van bijzonder belang voor de ontvangende staat op te heffen. In dergelijke gevallen plegen de partijen overleg teneinde elkaars legitieme belangen te waarborgen. 5. In het geval dat de autoriteiten van de ontvangende staat een lid van het personeel van de zendstaat in hechtenis nemen wegens strafbare feiten of handelingen waarvoor hij of zij immuniteit geniet ingevolge het derde lid, dragen zij deze persoon onmiddellijk over aan de officier die het bevel voert over het personeel van de zendstaat en zenden deze officier onverwijld een schriftelijk rapport over de aangelegenheid. 6. De bevoegde autoriteiten van de zendstaat stellen de bevoegde autoriteiten van de ontvangende staat in kennis van hun beslissing een juridische procedure in te stellen tegen het lid van het personeel van de zendstaat en van de uitkomsten van de in de zendstaat geïnitieerde procedures.

Rechtspraak bij dit artikel