Naar hoofdinhoud

Artikel X

Controle

Onderdeel van Internationaal Verdrag betreffende de normen voor zeevarenden inzake opleiding, diplomering en wachtdienst, 1978· Onderwijsrecht

Deze tekst geldt sinds 26 oktober 1985

1. Schepen, met uitsluiting van die welke in artikel III worden uitgezonderd, zijn tijdens hun verblijf in de havens van een Partij onderworpen aan controle door functionarissen, door die Partij behoorlijk gemachtigd om erop toe te zien dat alle aan boord dienst doende zeevarenden die volgens het Verdrag gediplomeerd dienen te zijn de desbetreffende diploma’s bezitten, dan wel in het bezit zijn van een passende dispensatie. Dergelijke diploma’s moeten worden aanvaard, tenzij er duidelijke redenen zijn om aan te nemen dat een diploma door middel van bedrog is verkregen of dat de houder van een diploma niet degene is aan wie dat diploma oorspronkelijk was afgegeven. 2. Ingeval tekortkomingen worden vastgesteld volgens het eerste lid of volgens de in Voorschrift I/4 - „Controleprocedures” - omschreven procedures, geeft de functionaris die de controle uitoefent daarvan onverwijld schriftelijk kennis aan de kapitein van het schip en de consul of, bij diens afwezigheid, de dichtstbijzijnde diplomatieke vertegenwoordiger of de scheepvaartautoriteit van de Staat waarvan het schip gerechtigd is de vlag te voeren, zodat passende maatregelen kunnen worden genomen. In een dergelijke kennisgeving worden de bijzonderheden van de vastgestelde tekortkomingen vermeld, evenals de redenen waarom de Partij bepaalt dat deze tekortkomingen gevaar opleveren voor personen, goederen of het milieu. 3. Bij de uitoefening van de controle volgens het eerste lid neemt de Partij die de controle uitoefent, indien, de grootte en het type van het schip en de duur en de aard van de reis in aanmerking genomen, de in het derde lid van Voorschrift I/4 bedoelde tekortkomingen niet worden hersteld en indien wordt vastgesteld dat dit feit een gevaar oplevert voor personen, goederen of het milieu, maatregelen om te verzekeren dat het schip niet uitvaart, tenzij en totdat aan deze vereisten is voldaan in een zodanige mate dat het gevaar is weggenomen. De feiten betreffende de genomen maatregelen worden onverwijld aan de Secretaris-Generaal medegedeeld. 4. Bij de uitoefening van controle volgens dit artikel dient alles in het werk te worden gesteld om te voorkomen dat een schip ten onrechte wordt aangehouden of opgehouden. Indien een schip ten onrechte wordt aangehouden of opgehouden, heeft het aanspraak op schadeloosstelling voor al het daaruit ontstane verlies of alle daaruit ontstane schade. 5. Dit artikel dient op zodanige wijze te worden toegepast als noodzakelijk is om te verzekeren dat aan schepen die gerechtigd zijn de vlag te voeren van een Staat die geen Partij is, niet een gunstiger behandeling wordt gegeven dan een schip dat gerechtigd is de vlag te voeren van een Staat die Partij is.

Rechtspraak bij dit artikel