Naar hoofdinhoud
De stukken, betrekking hebbende op door de autoriteiten van de verzoekende Staat verrichte ambtshandelingen terzake van de vervolging en het bijeenbrengen van bewijsmiddelen, worden, voor wat hun bewijskracht betreft, gelijkgesteld met stukken betreffende soortgelijke, door de autoriteiten van de aangezochte Staat verrichte handelingen. In geen geval kan die gelijkstelling echter tot gevolg hebben dat aan deze stukken meer bewijskracht wordt toegekend dan zij in de verzoekende Staat hebben.

Rechtspraak bij dit artikel