Naar hoofdinhoud

Artikel 2

Artikel 2

Onderdeel van Protocol betreffende de uitlegging door het Hof van Justitie van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken· Internationaal privaatrecht Inclusief internationaal procesrecht

Deze tekst geldt sinds 1 december 1998

De volgende rechterlijke instanties kunnen het Hof van Justitie verzoeken, bij wijze van prejudiciële beslissing, een uitspraak te doen over een vraagstuk van uitlegging: in België: het Hof van Cassatie - la Cour de Cassation en de Raad van State - le Conseil d'Etat, in Denemarken: højesteret, in de Bondsrepubliek Duitsland: die obersten Gerichtshöfe des Bundes, in Griekenland: τα ανώτατα Δίκαστήρια, in Spanje: el Tribunal Supremo, in Frankrijk: la Cour de Cassation alsmede le Conseil d'Etat, in Ierland: the Supreme Court, in Italië: la Corte Suprema di Cassazione, in Luxemburg: la Cour supérieure de Justice siégeant comme cour de cassation, in Oostenrijk: het Oberste Gerichtshof, het Verwaltungsgerichtshof en het Verfassungsgerichtshof, in Nederland: de Hoge Raad, in Finland: korkein oikeus/högsta domstolen en korkein hallinto-oikeus/högsta förvaltningsdomstolen, in Zweden: Högsta Domstolen, Regeringsrätten, Arbetsdomstolen en Marknadsdomstolen, in Portugal: o Supremo Tribunal de justiça en o Supremo Tribunal Administrativo, in het Verenigd Koninkrijk: the House of Lords en de rechterlijke instanties die op grond van artikel 37, tweede lid, of artikel 41 van het Verdrag zijn aangeroepen; de rechterlijke instanties van de verdragsluitende Staten, wanneer zij recht spreken in hoger beroep; in de gevallen, bedoeld in artikel 37 van het Verdrag, de in dat artikel genoemde rechterlijke instanties. Is van toepassing op rechtsvorderingen ingesteld en op authentieke akten verleden na de inwerkingtreding van dit Verdrag in de Staat van herkomst en, wanneer wordt verzocht om erkenning of tenuitvoerlegging van een beslissing of een authentieke akte, in de aangezochte Staat. Evenwel worden de beslissingen, gegeven na de dag van inwerkingtreding van dit Verdrag in de betrekkingen tussen de Staat van herkomst en de aangezochte Staat naar aanleiding van vóór deze dag ingestelde vorderingen, erkend en ten uitvoer gelegd overeenkomstig de bepalingen van titel III van het Verdrag van 1968, als gewijzigd bij het Verdrag van 1978, bij het Verdrag van 1982, het Verdrag van 1989 en bij het onderhavige Verdrag, indien de bevoegdheid berustte op regels die overeenkomen met de bepalingen van de gewijzigde titel II van het Verdrag van 1968, of met de bepalingen neergelegd in een verdrag dat tussen de Staat van herkomst en de aangezochte Staat van kracht was op het ogenblik dat de vordering werd ingesteld (Trb. 1997/69).

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel