Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk II

Artikel 10

Plaats op de rijbaan

Onderdeel van Verdrag inzake het wegverkeer· Vervoersrecht

Deze tekst geldt sinds 8 november 2008

1. De rijrichting dient op alle wegen in een Staat gelijk te zijn, behalve, waar zulks dienstig is, op wegen die uitsluitend of hoofdzakelijk worden gebruikt voor doorgaand verkeer tussen twee andere Staten. 2. Dieren die zich langs de rijbaan voortbewegen dienen zoveel mogelijk aan de kant van de rijbaan te worden voortgedreven overeenkomstig de rijrichting. 3. Onverminderd de andersluidende bepalingen van artikel 7, eerste lid, artikel 11, zesde lid, en andere andersluidende bepalingen van dit Verdrag, dient elke bestuurder van een voertuig, voor zover de omstandigheden hem dit mogelijk maken, zijn voertuig dicht bij de kant van de rijbaan te houden, overeenkomstig de rijrichting. De Verdragsluitende Partijen of onderdelen daarvan mogen echter nauwkeuriger omschreven voorschriften vaststellen betreffende de plaats van vrachtvoertuigen op de rijbaan. 4. Wanneer een weg twee of drie rijbanen bevat, mag een bestuurder nooit de rijbaan gebruiken die gelegen is aan de zijde tegenover die overeenkomstig de rijrichting. 5. Op rijbanen voor verkeer in beide richtingen met vier of meer rijstroken mag een bestuurder nooit de rijstroken gebruiken, die geheel zijn gelegen op de helft van de rijbaan tegenover de zijde overeenkomstig de rijrichting. Op rijbanen voor verkeer in beide richtingen met drie rijstroken mag een bestuurder nooit de rijstrook gebruiken gelegen aan de kant van de rijbaan tegenover de kant overeenkomstig de rijrichting. 6. Indien door middel van een verkeersteken een extra rijstrook wordt aangegeven, dienen bestuurders van voertuigen die zich langzaam verplaatsen, onverminderd de bepalingen van artikel 11, deze rijstrook te gebruiken.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel