In tunnels die zijn aangegeven door speciale verkeerstekens, gelden de volgende regels:
Het is voor alle bestuurders verboden:
achteruit te rijden;
te keren.
Zelfs wanneer de tunnel is verlicht, moeten alle bestuurders het groot licht of dimlicht ontsteken.
Bestuurders mogen een voertuig uitsluitend stoppen of parkeren in geval van nood of gevaar. Hierbij moeten zij, waar mogelijk, gebruik maken van de speciaal aangeduide plaatsen.
Wanneer een voertuig langere tijd stilstaat, moet de bestuurder de motor afzetten.
Hoofdstuk II
Artikel 25bis
Bijzondere regels betreffende tunnels aangegeven door middel van speciale verkeerstekens
Onderdeel van Verdrag inzake het wegverkeer· Vervoersrecht
Deze tekst geldt sinds 8 november 2008