Naar hoofdinhoud

Artikel 4

Artikel 4

Onderdeel van Grensverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Venezuela· Arbitrage

Deze tekst geldt sinds 15 december 1978

1. Ingeval de Nederlandse Antillen, in overeenstemming met het internationale recht, de territoriale zee van de Benedenwindse Eilanden (Aruba, Bonaire, Curaçao) uitbreiden buiten de huidige breedte van drie (3) zeemijlen gemeten van de laagwaterlijn langs de kust, of een rechtsregime instellen in zeegebieden gelegen buiten de huidige territoriale zee van de Benedenwindse Eilanden, zal het regime voor de betrokken zeegebieden, gelegen buiten bovengenoemde afstand van drie (3) zeemijlen, de voorwaarden in acht nemen neergelegd in dit artikel voor de vrijheid van scheepvaart en overvlucht van en naar Venezuela. 2. Alle Venezolaanse schepen en luchtvaartuigen genieten de vrijheid van scheepvaart en overvlucht uitsluitend ten behoeve van prompte en ononderbroken doortocht van de betrokken zeegebieden, hierna te noemen: het recht van doortocht. Het vereiste van prompte en ononderbroken doortocht sluit niet uit de vaart door of de vlucht over deze zeegebieden ten behoeve van het verkeer van en naar de Nederlandse Antillen, mits de havenvoorschriften en soortgelijke eisen voor binnenkomst in acht worden genomen. 3. Onder voorbehoud van aanvullende bepalingen welke de Hoge Verdragsluitende Partijen, in onderling goedvinden, in de toekomst zouden willen vaststellen, is het tweede lid eveneens van toepassing op scheepvaart en overvlucht van en naar Venezuela door handelsschepen en staatsschepen in gebruik voor commerciële doeleinden en door burgerluchtvaartuigen van derde Staten. 4. Indien de Nederlandse Antillen vaarwegen en luchtwegen daarboven instellen, zal dit worden gedaan in overeenstemming met de desbetreffende regels van het zeerecht; in het bijzonder dienen deze vaar- en luchtwegen geschikt te zijn voor de veilige, prompte en ononderbroken vaart door of over de betrokken zeegebieden. Indien de Nederlandse Antillen geen vaar- of luchtwegen instellen, mag het recht van doortocht worden uitgeoefend langs de voor de internationale vaart gebruikelijke routes. 5. Het voornoemde recht van doortocht kan niet worden opgeschort. 6. Schepen op doortocht dienen de desbetreffende regels van het zeerecht in acht te nemen, in het bijzonder: de algemeen aanvaarde internationale voorschriften, procedures en gebruiken inzake de veiligheid ter zee, waaronder mede zijn begrepen de Internationale Voorschriften ter voorkoming van aanvaringen op zee; de algemeen aanvaarde internationale voorschriften, procedures en gebruiken ter voorkoming, vermindering en beteugeling van verontreiniging van de zee door schepen; de voorschriften, zowel die betreffende de aanwezigheid van documenten op het schip als die betreffende bijzondere veiligheidsmaatregelen, zoals deze internationaal zijn overeengekomen voor door kernenergie voortgedreven schepen en schepen met als lading nucleaire of andere stoffen die naar hun aard gevaarlijk dan wel schadelijk zijn. 7. Luchtvaartuigen op doortocht dienen de desbetreffende regels van het zeerecht na te leven. Zij dienen in het bijzonder: de door de Internationale Burgerluchtvaart Organisatie voor de burgerluchtvaart vastgestelde voorschriften in acht te nemen; staatsluchtvaartuigen zullen te allen tijde handelen in overeenstemming met de bestaande voorschriften ten aanzien van de veiligheid van het luchtverkeer; te allen tijde de radiofrequenties die zijn opgegeven door de desbetreffende internationaal aangewezen autoriteiten belast met de luchtverkeersbeveiliging of de desbetreffende internationale noodfrequentie te beluisteren. 8. Maatregelen ter voorkoming, vermindering en beteugeling van verontreiniging, voor zover die van invloed zijn op de scheepvaart in de uitoefening van het recht van doortocht, dienen in onderling goedvinden tussen de Partijen te worden genomen. Dit geldt in het bijzonder ten aanzien van de internationale scheepvaartroutes gelegen in het zeegebied dat zich uitstrekt tussen de Archipiélago de Los Monjes en het eiland Aruba. Het voornoemde vereiste van onderling goedvinden is niet van toepassing voor wetten en voorschriften waarmede de Nederlandse Antillen uitvoering geven aan algemeen aanvaarde internationale voorschriften met betrekking tot de lozing van olie, oliehoudend afval en andere schadelijke stoffen.

Rechtspraak bij dit artikel