Naar hoofdinhoud
1). Een vervoerder aan wie op het grondgebied van een Overeenkomstsluitende Partij vergunning is verleend zal, zonder dat overeenkomstig de wet van de andere Overeenkomstsluitende Partij hiervoor het bezit van een vergunning wordt geëist, worden toegestaan de volgende vormen van internationaal personenvervoer te verrichten: „gesloten rondritten”; d.w.z. ritten naar of over het grondgebied n de andere Overeenkomstsluitende Partij, waarbij een autobus dat grondgebied binnenkomt en verlaat, zonder dat passagiers op dat grondgebied worden opgenomen of afgezet; „brengritten”; d.w.z. ritten, waarbij een groep personen op het grondgebied van de andere Overeenkomstsluitende Partij wordt gebracht voor een tijdelijk verblijf en de autobus leeg of met een rit zoals omschreven onder e) dat grondgebied verlaat; „haalritten”; d.w.z. ritten, waarbij een autobus het grondgebied van de andere Overeenkomstsluitende Partij leeg of met een rit zoals omschreven onder b) binnenkomt en naar het grondgebied waarop aan de vervoerder vergunning is verleend, een groep personen vervoert, van wie ieder: is vervoerd naar het grondgebied van de andere Overeenkomstsluitende Partij door die vervoerder; en alvorens aldus te worden vervoerd, een overeenkomst had gesloten voor beide ritten op het grondgebied van de Overeenkomstsluitende Partij, waarop aan de vervoerder vergunning is verleend. 2). Zonder vergunning is ook toegestaan de vervanging van een autobus, die onbruikbaar is geworden tijdens het verrichten van een van bovengenoemde ritten, door een andere autobus.

Rechtspraak bij dit artikel