**1.** Bewijzen van luchtwaardigheid, bewijzen van bevoegdheid en vergunningen die door een der Overeenkomstsluitende Partijen zijn uitgereikt of geldig verklaard en die nog van kracht zijn, worden door de andere Overeenkomstsluitende Partij als geldig erkend voor de exploitatie van luchtdiensten op de omschreven routes, mits deze bewijzen of vergunningen werden uitgereikt of geldig verklaard ingevolge en overeenkomstig de op grond van het Verdrag gestelde normen. Elke Overeenkomstsluitende Partij behoudt zich evenwel het recht voor, de erkenning van bewijzen van bevoegdheid en van vergunningen die door de andere Overeenkomstsluitende Partij aan haar onderdanen zijn uitgereikt, te weigeren voor vluchten boven haar eigen grondgebied.
**2.** Indien de voorrechten of voorwaarden, verbonden aan de in het eerste lid van dit artikel genoemde vergunningen of bewijzen die door de luchtvaartautoriteiten van een Overeenkomstsluitende Partij zijn uitgereikt aan of geldig verklaard met betrekking tot een persoon of luchtvaartuig, een afwijking van de krachtens het Verdrag vastgestelde normen zouden toestaan en indien deze afwijking is geregistreerd bij de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie, kunnen de luchtvaartautoriteiten van de andere Overeenkomstsluitende Partij verzoeken om overleg met de luchtvaartautoriteiten van die Overeenkomstsluitende Partij, ten einde zich ervan te vergewissen of het desbetreffende gebruik voor hen aanvaardbaar is. Indien geen bevredigende overeenstemming bereikt wordt inzake deze aangelegenheden de vliegveiligheid betreffende, vormt zulks een grond voor de toepassing van artikel IV van deze Overeenkomst.
**3.** Elke Overeenkomstsluitende Partij kan te allen tijde verzoeken om overleg inzake veiligheidsnormen op ieder terrein met betrekking tot bemanning, luchtvaartuigen of de exploitatie ervan als aangenomen door de andere Overeenkomstsluitende Partij. Dergelijk overleg vindt plaats binnen dertig dagen na dat verzoek.
**4.** Indien, na dergelijk overleg, een Overeenkomstsluitende Partij oordeelt dat de andere Overeenkomstsluitende Partij op een dergelijk gebied niet op doeltreffende wijze veiligheidsnormen handhaaft en toepast die ten minste gelijk zijn aan de op dat tijdstip uit hoofde van het Verdrag vastgestelde minimumnormen, stelt de eerstgenoemde Overeenkomstsluitende Partij de andere Overeenkomstsluitende Partij in kennis van dit oordeel en van de noodzakelijk geachte stappen om te voldoen aan die minimumnormen, en die andere Overeenkomstsluitende Partij neemt passende corrigerende maatregelen. Indien de andere Overeenkomstsluitende Partij nalaat binnen 15 dagen, of zoveel langer als overeengekomen passende maatregelen te nemen, is dit aanleiding voor de toepassing van artikel IV van deze Overeenkomst (intrekking of opschorting van exploitatievergunningen).
**5.** Onverminderd de verplichtingen bedoeld in artikel 33 van het Verdrag, wordt overeengekomen dat een luchtvaartuig dat door de luchtvaartmaatschappij of luchtvaartmaatschappijen van de ene Overeenkomstsluitende Partij wordt geëxploiteerd op diensten naar of vanuit het grondgebied van de andere Overeenkomstsluitende Partij, terwijl het zich binnen het grondgebied van de andere Overeenkomstsluitende Partij bevindt, mag worden onderworpen aan een inspectie, aan boord van en rond het luchtvaartuig, door de bevoegde vertegenwoordigers van de andere Overeenkomstsluitende Partij teneinde zowel de geldigheid van de documenten van het luchtvaartuig als die van zijn bemanning en de kennelijke toestand van het luchtvaartuig en zijn uitrusting (in dit artikel aangeduid als platforminspecties) te controleren, mits dit niet leidt tot onredelijke vertraging.
**6.** Indien een dergelijke platforminspectie of reeks platforminspecties leidt tot:
ernstige bezorgdheid dat een luchtvaartuig of de exploitatie van een luchtvaartuig niet voldoet aan de op dat tijdstip uit hoofde van het Verdrag vastgestelde minimumnormen, of
ernstige bezorgdheid dat de op dat tijdstip uit hoofde van het Verdrag vastgestelde veiligheidsnormen niet doeltreffend genoeg worden gehandhaafd en toegepast, staat het de Overeenkomstsluitende Partij die de inspectie verricht vrij, voor de toepassing van artikel 33 van het Verdrag, de conclusie te trekken dat de vereisten op grond waarvan de bewijzen of vergunningen ten aanzien van dat luchtvaartuig of ten aanzien van de bemanning van dat luchtvaartuig zijn afgegeven of geldig verklaard, of dat de vereisten op grond waarvan dat luchtvaartuig wordt geëxploiteerd niet gelijk zijn aan of zwaarder zijn dan de uit hoofde van het Verdrag vastgestelde minimumnormen.
**7.** Ingeval toegang ten behoeve van de uitvoering van een platforminspectie in overeenstemming met het vijfde lid van een door de luchtvaartmaatschappij of luchtvaartmaatschappijen van een Overeenkomstsluitende Partij geëxploiteerd luchtvaartuig door de vertegenwoordiger van die luchtvaartmaatschappij of luchtvaartmaatschappijen wordt geweigerd, staat het de andere Overeenkomstsluitende Partij vrij daaruit af te leiden dat er aanleiding is voor ernstige bezorgdheid zoals bedoeld in het zesde lid en de conclusies te trekken zoals bedoeld in dat lid.
**8.** Elke Overeenkomstsluitende Partij behoudt zich het recht voor de exploitatievergunning van een luchtvaartmaatschappij of luchtvaartmaatschappijen van de andere Overeenkomstsluitende Partij onmiddellijk op te schorten of daarvan af te wijken in het geval de eerstgenoemde Overeenkomstsluitende Partij concludeert dat, hetzij naar aanleiding van een platforminspectie, een reeks platforminspecties, weigering van toegang voor platforminspectie, overleg hetzij anderszins, onverwijld ingrijpen essentieel is voor de veiligheid van een vlucht door een luchtvaartmaatschappij.
**9.** Een maatregel door een Overeenkomstsluitende Partij in overeenstemming met het vierde of achtste lid wordt opgeschort, zodra de aanleiding voor de maatregel ophoudt te bestaan.
Artikel VII
Bewijzen van luchtwaardigheid en vergunningen
Onderdeel van Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Staat Qatar inzake luchtdiensten tussen en via hun onderscheiden grondgebieden· Vervoersrecht
Deze tekst geldt sinds 22 augustus 2003