Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK III

Artikel 6

Aanvangsbijdragen van deelnemende Staten

Onderdeel van Overeenkomst tot oprichting van het Afrikaanse Ontwikkelingsfonds· Arbitrage

Deze tekst geldt sinds 30 juni 1973

(1). Iedere deelnemende Staat schrijft bij deelneming in voor een bijdrage voor het door deze Staat vastgestelde bedrag. Zulke bijdragen worden hierna aangeduid met de term „aanvangsbijdragen”. (2). De voor elke oorspronkelijke deelnemende Staat vastgestelde aanvangsbijdrage bestaat uit het in bijlage A achter de naam van die Staat vermelde bedrag, uitgedrukt in rekeneenheden en betaalbaar in vrij inwisselbare valuta. De betaling geschiedt in drie gelijke jaarlijkse termijnen, en wel als volgt: de eerste termijn wordt betaald binnen dertig dagen nadat het Fonds zijn werkzaamheden is aangevangen krachtens artikel 60 of op de datum waarop de oorspronkelijk deelnemende Staat partij wordt bij deze Overeenkomst, al naar gelang welke van beide data later valt; de tweede termijn wordt betaald binnen een jaar daarna en de derde termijn binnen een jaar na de betaling of de vervaldatum van de tweede termijn, al naar gelang welke van beide data eerder valt. Het Fonds kan om eerdere betaling van hetzij de tweede hetzij de derde termijn, alsook van beide termijnen verzoeken, indien de werkzaamheden van het Fonds zulks vereisen, maar zodanige eerdere betaling dient door elke deelnemer op geheel vrijwillige basis te geschieden. (3). De aanvangsbijdragen van deelnemende Staten die geen oorspronkelijke deelnemers zijn, worden eveneens uitgedrukt in rekeneenheden en zijn betaalbaar in vrij inwisselbare valuta. Het bedrag en de betalingsvoorwaarden voor deze bijdragen worden door het Fonds krachtens artikel 3, derde lid, vastgesteld. (4). Behoudens door het Fonds goed te keuren uitzonderingen handhaaft iedere deelnemende Staat de vrije inwisselbaarheid van zijn» krachtens dit artikel door hem betaalde valuta. (5). Niettegenstaande de voorgaande bepalingen van dit artikel, kan een deelnemende Staat gedurende een tijdvak van niet meer dan drie maanden het verrichten van een krachtens dit artikel vereiste betaling uitstellen, wanneer overwegingen van budgettaire aard of andere overwegingen een zodanig uitstel noodzakelijk maken.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel