**1.** De Organisatie geniet op het grondgebied van elk van haar Leden die rechtsbevoegdheid, voorrechten en immuniteiten die noodzakelijk zijn voor de uitoefening van haar functies en de verwezenlijking van haar doelstellingen. Vertegenwoordigers van de Leden en functionarissen van de Organisatie genieten die voorrechten en immuniteiten die noodzakelijk zijn voor de onafhankelijke uitoefening van hun functie in verband met de Organisatie.
**2.** De in het eerste lid genoemde rechtsbevoegdheid, voorrechten en immuniteiten zullen:
op het grondgebied van een Lid dat met betrekking tot de Organisatie is toegetreden tot het Verdrag nopens de voorrechten en immuniteiten van de gespecialiseerde organisaties zijn als bepaald in de standaardclausules van dat Verdrag, als gewijzigd bij een aanhangsel daarbij, dat is goedgekeurd door de Raad;
op het grondgebied van een Lid dat met betrekking tot de Organisatie niet is toegetreden tot het Verdrag nopens de voorrechten en immuniteiten van de gespecialiseerde organisaties, maar wel is toegetreden tot het Verdrag nopens de voorrechten en immuniteiten van de Verenigde Naties, zijn als bepaald in dit laatste Verdrag, tenzij bedoelde Staat de depositaris bij de nederlegging van zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding ervan in kennis stelt dat hij dit Verdrag niet zal toepassen op de Organisatie; het Verdrag nopens de voorrechten en immuniteiten van de Verenigde Naties houdt op van toepassing te zijn op de Organisatie dertig dagen nadat bedoelde Staat de depositaris van het bovenstaande in kennis heeft gesteld;
zijn als bepaald in andere overeenkomsten die door de Organisatie zijn gesloten.
HOOFDSTUK VI
Artikel 21
Rechtsbevoegdheid, voorrechten en immuniteiten
Onderdeel van Statuut van de Organisatie der Verenigde Naties voor Industriële Ontwikkeling· Internationaal publiekrecht
Deze tekst geldt sinds 21 juni 1985