Naar hoofdinhoud
1. De Overeenkomstsluitende Staten geven uiting aan hun vaste voornemen: het gezamenlijk gebruik te bevorderen van de beschikbare educatieve hulpbronnen door hun onderwijsinstellingen in dienst te stellen van de integrale ontwikkeling van alle volken van de regio; hiertoe nemen zij maatregelen gericht op: het harmoniseren van de toelatingseisen voor instellingen voor hoger onderwijs in iedere Staat van de regio, althans voor zover dit mogelijk is; het invoeren van een analoge terminologie en van analoge maatstaven ten dienste van de evaluatie, ten einde zodoende de vergelijkbaarheid van het onderwijs te vergemakkelijken; het aanvaarden, met betrekking tot de toelating tot studies van opklimmend niveau, van een dynamisch beleid, waarbij rekening wordt gehouden met de kennis zoals die wordt gewaarborgd door het bezit van diploma's of door persoonlijke ervaring of prestaties, overeenkomstig artikel 1, letter (c); het aanleggen, bij het evalueren van gedeeltelijke studies, van soepele maatstaven, veeleer gebaseerd op het tot het desbetreffende tijdstip bereikte opleidingsniveau dan op de verwerkte leerstof, waarbij het interdisciplinaire karakter van hoger onderwijs niet uit het oog mag worden verloren; het onmiddellijk erkennen van studies, diploma's, academische graden en getuigschriften voor universitaire doeleinden en voor de uitoefening van een hoger beroep; het bevorderen van het uitwisselen van gegevens en documentatiemateriaal op het gebied van onderwijs, wetenschap en techniek, teneinde de doelstellingen van deze Overeenkomst te verwezenlijken; op regionaal niveau te streven naar de voortdurende verbeteringen van de studieprogramma's die, te zamen met goede planning en een doeltreffende uitvoering daarvan, zullen bijdragen tot een optimaal gebruik van het opleidingspotentieel van de regio; inter-regionale samenwerking te bevorderen met betrekking tot de erkenning van studies en academische graden; de nationale en regionale lichamen in te stellen, die nodig zijn om een snelle en doeltreffende toepassing van deze Overeenkomst te bewerkstelligen. 2. De Overeenkomstsluitende Staten verbinden zich tot het nemen van alle nationale en internationale maatregelen noodzakelijk voor de geleidelijke verwezenlijking van de doelstellingen die in dit artikel zijn vervat, voornamelijk door middel van bilaterale, subregionale of regionale overeenkomsten, en overeenkomsten tussen instellingen voor hoger onderwijs, alsmede op andere wijzen die bevorderlijk kunnen zijn voor samenwerking met zowel de bevoegde nationale als internationale instellingen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel