De Lid-Staten die vóór 1 januari 1958 of, voor de toetredende staten, vóór de datum van hun toetreding, met derde Staten akkoorden hebben gesloten betreffende de samenwerking op het gebied van de kernenergie, zijn gehouden tezamen met de Commissie de noodzakelijke onderhandelingen te voeren met deze derde Staten, ten einde de rechten en verplichtingen welke uit deze akkoorden voortvloeien, voor zover zulks mogelijk is te doen overnemen door de Gemeenschap.
Ieder nieuw akkoord dat uit deze onderhandelingen voortvloeit behoeft de toestemming van de Lid-Staat of Lid-Staten welke de bovenbedoelde akkoorden hebben ondertekend, alsook de goedkeuring van de Raad, die met gekwalificeerde meerderheid van stemmen besluit.
TITEL TWEEDE › HOOFDSTUK X
Artikel 106
Artikel 106
Onderdeel van Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (EURATOM)· Internationaal publiekrecht
Deze tekst geldt sinds 1 mei 1999