Naar hoofdinhoud

Artikel 28

Behoorlijke levensstandaard en sociale bescherming

Onderdeel van Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap· Internationaal publiekrecht

Deze tekst geldt sinds 14 juli 2016

1. De Staten die Partij zijn erkennen het recht van personen met een handicap op een behoorlijke levensstandaard voor henzelf en voor hun gezinnen, met inbegrip van voldoende voeding, kleding en huisvesting en op de voortdurende verbetering van hun levensomstandigheden, en nemen passende maatregelen om de verwezenlijking van dit recht zonder discriminatie op grond van handicap te beschermen en te bevorderen. 2. De Staten die Partij zijn erkennen het recht van personen met een handicap op sociale bescherming en op het genot van dat recht zonder discriminatie op grond van handicap, en nemen passende maatregelen om de verwezenlijking van dat recht te waarborgen en te stimuleren, met inbegrip van maatregelen om: de gelijke toegang voor personen met een handicap tot voorzieningen op het gebied van schoon water te waarborgen, alsmede toegang te waarborgen tot passende en betaalbare diensten, instrumenten en andere vormen van ondersteuning voor aan de handicap gerelateerde behoeften; de toegang voor personen met een handicap, in het bijzonder voor vrouwen, meisjes en ouderen met een handicap, tot programma’s ten behoeve van sociale bescherming en het terugdringen van de armoede te waarborgen; voor personen met een handicap en hun gezinnen die in armoede leven de toegang tot hulp van de Staat te waarborgen, voor aan de handicap gerelateerde kosten, met inbegrip van adequate training, advisering, financiële hulp en respijtzorg; de toegang voor personen met een handicap te waarborgen tot volkshuisvestingsprogramma’s; de toegang voor personen met een handicap te waarborgen tot pensioenuitkeringen en -programma’s.

Rechtspraak bij dit artikel