Naar hoofdinhoud

DEEL IV › SECTIE II

Artikel 70

Hulpverleningsacties

Onderdeel van Aanvullend Protocol bij de Verdragen van Genève van 12 augustus 1949, betreffende de bescherming van de slachtoffers van internationale gewapende conflicten (Protocol I)· Internationaal publiekrecht

Deze tekst geldt sinds 26 december 1987

1. Wanneer de burgerbevolking van enig grondgebied, dat door een partij bij het conflict wordt beheerst en dat niet is bezet, niet voldoende is voorzien van de benodigdheden, vermeld in artikel 69, dienen hulpverleningsacties te worden ondernomen, welke humanitair van aard zijn en worden uitgevoerd zonder enig nadelig onderscheid, mits de bij die acties betrokken partijen daarmee instemmen. Aanbiedingen voor zodanige hulp worden niet aangemerkt als inmenging in het gewapende conflict, noch als onvriendschappelijke handelingen. Bij de verdeling van de hulpzendingen moet voorrang worden gegeven aan de personen aan wie krachtens het Vierde Verdrag of dit Protocol een voorkeursbehandeling of een bijzondere bescherming dient te worden verleend, zoals kinderen, aanstaande moeders, kraamvrouwen en zogende moeders. 2. De partijen bij het conflict, alsmede iedere Hoge Verdragsluitende Partij, dienen de snelle en ongehinderde doorgang toe te staan en te vergemakkelijken van alle zendingen, uitrusting en personeel voor hulpverlening, ter beschikking gesteld overeenkomstig deze Sectie, zelfs indien zodanige hulp is bestemd voor de burgerbevolking van de tegenpartij. 3. De partijen bij het conflict, alsmede iedere Hoge Verdragsluitende Partij die de doorgang van zendingen, uitrusting en personeel voor hulpverlening overeenkomstig het tweede lid toestaat: hebben het recht regelingen van technische aard vast te stellen, daaronder begrepen doorzoeking en fouillering, krachtens welke een dergelijke doorgang is toegestaan; kunnen een zodanige toestemming afhankelijk stellen van de voorwaarde, dat de verdeling van de zendingen geschiedt onder plaatselijk toezicht van een beschermende mogendheid; mogen goederen voor hulpverlening op geen enkele wijze een andere bestemming geven, noch de doorzending daarvan vertragen, behalve in geval van dringende noodzaak in het belang van de betrokken burgerbevolking. 4. De partijen bij het conflict dienen zendingen voor hulpverlening te beschermen en de snelle verdeling daarvan te vergemakkelijken.. 5. De partijen bij het conflict, alsmede iedere betrokken Hoge Verdragsluitende Partij, dienen doeltreffende internationale coördinatie van de in het eerste lid bedoelde hulpverleningsacties te stimuleren en te vergemakkelijken.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel