Naar hoofdinhoud
1. In deze Overeenkomst omvat de uitdrukking „bestaande financiële vraagstukken” alle financiële vorderingen van elk der Overeenkomstsluitende Partijen en haar onderdanen op de andere Overeenkomstsluitende Partij en haar onderdanen, hetzij uit hoofde van bilaterale overeenkomsten, hetzij uit anderen hoofde, onder andere pensioenrechten, voor zover deze vorderingen vóór 15 augustus 1962 zijn ontstaan. 2. De uitdrukking „bestaande financiële vraagstukken” omvat niet rechten en verplichtingen die voortspruiten uit de (normale) handelsbetrekkingen tussen beide landen en uit de bestaande bilaterale betalingsovereenkomst, noch de verplichtingen die elk der Partijen heeft tegenover onderdanen van de andere Partij als gevolg van contractuele betrekkingen of van uitspraken van de nationale rechters van een van beide landen. 3. Deze Overeenkomst heeft eveneens betrekking op de verliezen, geleden door Nederlandse onderdanen, als gevolg van de feitelijke onmogelijkheid hun eigendomsrechten, bedoeld in het derde lid van artikel XXII van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Indonesië inzake Westelijk Nieuw-Guinea (West-Irian), in West-Irian uit te oefenen.

Rechtspraak bij dit artikel