Naar hoofdinhoud
(1). De partij, die erkenning of uitvoerbaarverklaring (tenuitvoerlegging) verlangt, moet overleggen: een expeditie van de beslissing; bewijsstukken waaruit kan worden vastgesteld, dat de beslissing in kracht van gewijsde is gegaan en — indien uitvoerbaarverklaring (tenuitvoerlegging) wordt verzocht — dat de beslissing vatbaar is voor tenuitvoerlegging in de Staat, waar zij is gegeven; indien het een beslissing bij verstek betreft, een gewaarmerkt afschrift van de dagvaarding of een ander geschrift dat kan dienen tot bewijs dat de gedaagde wettig is gedagvaard; indien het betreft een dwangbevel, „een Zahlungsauftrag” of een „Zahlungsbefehl”, een geschrift, dat kan dienen tot bewijs dat de beslissing op wettige wijze is bezorgd bij de gedaagde. (2). De over te leggen bescheiden behoeven niet te zijn gelegaliseerd doch dienen, indien het gerecht dat verlangt, vergezeld te gaan van een vertaling. De juistheid van de vertaling moet zijn bevestigd door een beëdigde vertaler, die in één van de beide Staten is toegelaten. Het onderhavige Verdrag is op 1 september 1996 vervangen door het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, gedaan te Lugano op 16 september 1988, voor zover de toepassing van dat Verdrag reikt op grond van zijn artikelen 1 en 56. Het onderhavige Verdrag is op 1 december 1998 vervangen door het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, voor zover de toepassing van dat Verdrag reikt op grond van zijn artikelen 1, 54, tweede lid en 56. Het onderhavige Verdrag is op 1 maart 2002 vervangen door de Verordening van 2002, voor zover de toepassing van de Verordening reikt op grond van zijn artikelen 1, 66 en 70. Het onderhavige Verdrag is op 1 maart 2005 vervangen door de EG-Verordening 2201/2003, voor zover de toepassing van de Verordening reikt op grond van zijn artikelen 1 en 64 (Trb. 2005/62).

Rechtspraak bij dit artikel