Naar hoofdinhoud
1. Elke staat kan, hetzij ten tijde van de ondertekening zonder voorbehoud van bekrachtiging of van de nederlegging van zijn akte van bekrachtiging of toetreding, hetzij daarna, door middel van een aan de Secretaris-Generaal van de Raad gerichte kennisgeving verklaren dat deze Overeenkomst mede van toepassing zal zijn op alle of op bepaalde gebieden voor welker buitenlandse betrekkingen hij verantwoordelijk is; de Overeenkomst is drie maanden na ontvangst van deze kennisgeving door de Secretaris-Generaal van de Raad van toepassing ten aanzien van de in de kennisgeving genoemde gebieden, doch niet voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze Overeenkomst ten aanzien van die staat. 2. Elke staat die met toepassing van het eerste lid van dit artikel heeft medegedeeld, dat deze Overeenkomst mede wordt toegepast in een gebied voor welks buitenlandse betrekkingen hij verantwoordelijk is, kan overeenkomstig de bepalingen van artikel 20 van deze Overeenkomst aan de Secretaris-Generaal van de Raad mededelen, dat dit gebied de Overeenkomst niet langer zal toepassen.

Rechtspraak bij dit artikel