Naar hoofdinhoud
1. Goederen waarvoor tijdelijke invoer is toegestaan moeten weder worden uitgevoerd binnen zes maanden na de datum van invoer. De douaneautoriteiten van het land van tijdelijke invoer kunnen evenwel, gelet op de omstandigheden en in het bijzonder op de duur en de aard van de manifestatie, eisen dat de goederen weder worden uitgevoerd binnen een kortere termijn, die echter ten minste een periode van een maand na de afloop van de manifestatie moet omvatten. 2. Niettegenstaande het bepaalde in het eerste lid van dit artikel staan de douaneautoriteiten toe, dat goederen die zullen worden getoond of gebruikt op een volgende manifestatie, in het land van tijdelijke invoer blijven, onder voorwaarde dat de bepalingen van de wetten en voorschriften van dat land worden nagekomen en dat de goederen binnen één jaar na de datum van invoer weder worden uitgevoerd. 3. De douaneautoriteiten kunnen om geldige redenen en binnen de grenzen voorgeschreven door de wetgeving en voorschriften van het land van tijdelijke invoer een langere termijn toestaan dan is voorzien in het eerste en tweede lid van dit artikel dan wel de eerste termijn verlengen. 4. Indien goederen waarvoor tijdelijke invoer is toegestaan niet kunnen worden wederuitgevoerd als gevolg van een inbeslagneming of beslaglegging, anders dan op vordering van particulieren, wordt de verplichting tot wederuitvoer voorzien in dit artikel opgeschort voor de duur van het beslag.

Rechtspraak bij dit artikel