**1.** Voor het vervoer van aan bederf onderhevige levensmiddelen als aangegeven in de Bijlagen 2 en 3 bij deze Overeenkomst dient gebruik te worden gemaakt van de in artikel 1 van deze Overeenkomst bedoelde vervoermiddelen, tenzij de voor de gehele duur van het vervoer te verwachten temperaturen deze eis beslist onnodig maken om de temperaturen, als vastgelegd in de Bijlagen 2 en 3 bij deze Overeenkomst, te kunnen handhaven. De keuze en het gebruik van het vervoermiddel dient zodanig te zijn dat het mogelijk is de in deze Bijlagen vastgelegde temperaturen te handhaven tijdens de gehele duur van het vervoer.
Tevens dienen alle nodige maatregelen te worden genomen, in het bijzonder wat betreft de temperaturen van de levensmiddelen bij inlading, de ijsvoorziening bij de aanvang van het vervoer en onderweg of andere noodzakelijke handelingen. Niettemin is het in dit lid bepaalde uitsluitend van toepassing voor zover het niet strijdig is met internationale verplichtingen met betrekking tot internationaal vervoer, die door de Overeenkomstsluitende Partijen zijn aangegaan op grond van verdragen welke op het tijdstip van de inwerkingtreding van deze Overeenkomst van kracht waren, of van daarvoor in de plaats gekomen verdragen.
**2.** Indien gedurende een transport dat onderworpen is aan de bepalingen van deze Overeenkomst aan het bepaalde in het eerste lid van dit artikel niet is voldaan,
mag niemand de levensmiddelen na beëindiging van het vervoer binnen het grondgebied van een Overeenkomstsluitende Partij van de hand doen, tenzij de bevoegde instanties van die Overeenkomstsluitende Partij het verenigbaar achten met de eisen van de volksgezondheid daartoe machtiging te verlenen, mits in dat geval aan de bij het verlenen van bedoelde machtiging door die instanties eventueel te stellen voorwaarden wordt voldaan;
mag elke Overeenkomstsluitende Partij, met het oog op de volksgezondheid of het voorkomen van dierenziekten en voor zover dit niet strijdig is met de andere in de laatste zin van het eerste lid van dit artikel bedoelde internationale verplichtingen, de invoer van de levensmiddelen binnen haar grondgebied verbieden of deze invoer binden aan door haar vast te stellen voorwaarden.
**3.** Vervoerders die voor rekening van derden vervoersopdrachten uitvoeren zijn gehouden te handelen overeenkomstig het in het eerste lid van dit artikel bepaalde, slechts voor zover zij zich verbonden hebben prestaties te leveren of te doen leveren, die zijn gericht op het naleven daarvan en voor zover zulks afhankelijk is van het leveren van die prestaties. Indien andere personen, natuurlijke personen of rechtspersonen, zich hebben verbonden prestaties te leveren of te doen leveren, die zijn gericht op het naleven van de bepalingen van deze Overeenkomst, zijn zij gehouden de naleving daarvan te waarborgen, voor zover deze afhankelijk is van de prestaties welke zij op zich genomen hebben, te leveren of te doen leveren.
**4.** Voor de duur van een transport dat wordt uitgevoerd overeenkomstig de bepalingen van deze Overeenkomst en waarbij de plaats van inlading op het grondgebied van een Overeenkomstsluitende Partij is gelegen, berust de verantwoordelijkheid voor het naleven van het in het eerste lid van dit artikel bepaalde, met inachtneming van het bepaalde in het derde lid van dit artikel,
in geval het vervoer betreft dat wordt uitgevoerd voor rekening van derden, bij de persoon, een natuurlijke persoon dan wel een rechtspersoon, die, volgens het vervoerbewijs, de afzender is of, zo een vervoerbewijs ontbreekt, bij de persoon, een natuurlijke persoon dan wel een rechtspersoon, die de vervoerovereenkomst met de vervoerder heeft aangegaan;
in de overige gevallen bij de persoon, een natuurlijke persoon dan wel een rechtspersoon, die het transport uitvoert.
Hoofdstuk II
Artikel 4
Artikel 4
Onderdeel van Overeenkomst inzake het internationale vervoer van aan bederf onderhevige levensmiddelen en het gebruik van speciale vervoermiddelen bij dit vervoer (ATP)· Migratierecht
Deze tekst geldt sinds 30 november 1979