Naar hoofdinhoud
Tenzij uit de inhoud van deze Overeenkomst anders blijkt, hebben de volgende termen de daaraan hierbij toegekende betekenis: „het Verdrag”: het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart, dat op 7 december 1944 te Chicago voor ondertekening is opengesteld, met inbegrip van alle overeenkomstig artikel 90 van dat Verdrag aangenomen bijlagen en alle overeenkomstig de artikelen 90 en 94 van dat Verdrag aangenomen wijzigingen van de bijlagen of het Verdrag, voor zover deze bijlagen en wijzigingen door beide Overeenkomstsluitende Partijen zijn aangenomen; „luchtvaartautoriteiten”: wat Oeganda betreft, de Oostafrikaanse Gemeenschap op grond van artikel 43 van het Verdrag voor Oostafrikaanse samenwerking, 1967, en alle personen of instellingen, die door deze Gemeenschap zijn gemachtigd haar functies te vervullen of die door Oeganda zijn gemachtigd functies te vervullen, die thans door deze Gemeenschap worden uitgeoefend; en wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, de Directeur-Generaal van de Rijksluchtvaartdienst of alle personen of instellingen, gemachtigd tot het vervullen van zijn functies; „aangewezen luchtvaartmaatschappij”: een luchtvaartmaatschappij aangewezen en gemachtigd overeenkomstig het bepaalde in artikel 3 van deze Overeenkomst; „grondgebied” in verband met een staat: het land en de daaraan grenzende territoriale wateren, die onder de soevereiniteit, de bescherming of het trustschap van die staat staan; „Koninkrijk der Nederlanden”: het grondgebied van het Koninkrijk der Nederlanden in Europa; „luchtdienst”, „internationale luchtdienst”, „luchtvaartmaatschappij” en „landingen anders dan voor verkeersdoeleinden”: dezelfde betekenis als daaraan in artikel 96 van het Verdrag wordt toegekend; „Oost-Afrika”: Oeganda, Kenia en Tanzania; „tarief”: de te heffen passagiers- en vrachttarieven en de voorwaarden, waarvan deze passagiers- en vrachttarieven afhankelijk zijn.

Rechtspraak bij dit artikel