Naar hoofdinhoud
1. De geregelde autobusdiensten tussen beide landen of in transito over hun grondgebied worden in onderlinge overeenstemming door de bevoegde autoriteiten van de Overeenkomstsluitende Partijen goedgekeurd. 2. De bevoegde autoriteiten van de Overeenkomstsluitende Partijen verlenen de vergunning voor het gedeelte van het traject dat op hun grondgebied is gelegen op basis van wederkerigheid, behoudens in gevallen waarin door de bevoegde autoriteiten van de Overeenkomstsluitende Partijen anders wordt besloten. 3. De bevoegde autoriteiten van de Overeenkomstsluitende Partijen stellen in onderling beraad de voorwaarden vast waarop de vergunningen worden verleend; zij nemen met name beslissingen over de geldigheidsduur van de vergunningen en over de vorm waarin zij hun goedkeuring verlenen aan de frequentie der vervoersexploitatie, de dienstregeling en de toe te passen tarieven. 4. Aanvragen om vergunningen dienen vergezeld te gaan van de benodigde bescheiden (voorgenomen reisroute, dienstregeling en tarief, plan van de jaarlijkse exploitatie, opgave van de beoogde datum van aanvang van de dienst). Voorts kunnen de bevoegde autoriteiten van de Overeenkomstsluitende Partijen andere door hen wenselijk geachte inlichtingen vragen.

Rechtspraak bij dit artikel