Naar hoofdinhoud
(1). Indien tussen de Overeenkomstsluitende Partijen een geschil mocht ontstaan omtrent de uitlegging of toepassing van deze Overeenkomst, trachten de Overeenkomstsluitende Partijen in de eerste plaats het geschil te regelen door onderling overleg. (2). Indien de Overeenkomstsluitende Partijen er niet in slagen door middel van overleg een regeling te treffen, kunnen zij overeenkomen het geschil ter beslissing voor te leggen aan een onderling overeengekomen scheidsgerecht of aan een andere persoon of instantie; of indien daaromtrent geen overeenstemming wordt bereikt, of, indien wordt overeengekomen het geschil aan een scheidsgerecht voor te leggen, doch geen overeenstemming kan worden bereikt omtrent de samenstelling daarvan, kan elk der Overeenkomstsluitende Partijen het geschil ter beslissing voorleggen aan iedere daartoe bevoegde rechtbank die in de toekomst binnen de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie kan worden ingesteld, of, bij gebrek aan een zodanige rechtbank, aan de Raad van die Organisatie. (3). De Overeenkomstsluitende Partijen verbinden zich, zich te houden aan iedere ingevolge lid 2 van dit artikel gegeven beslissing. (4). Indien en zolang een der Overeenkomstsluitende Partijen of een door een van deze partijen aangewezen luchtvaartmaatschappij geen gevolg mocht geven aan een ingevolge lid 2 van dit artikel gegeven beslissing, kan de andere Overeenkomstsluitende Partij alle rechten of voorrechten die zij krachtens deze Overeenkomst verleend heeft aan de in gebreke blijvende Overeenkomstsluitende Partij of aan de door deze aangewezen luchtvaartmaatschappij of luchtvaartmaatschappijen, of aan de aangewezen luchtvaartmaatschappij die in gebreke is gebleven, beperken, onthouden of intrekken.

Rechtspraak bij dit artikel