Naar hoofdinhoud
1. Onder voorbehoud van de bepalingen van artikel 5 wordt het goederenvervoer tussen de beide Staten en in transito over hun grondgebieden verricht op basis van een tevoren verleende vergunning van de andere Overeenkomstsluitende Partij. 2. De in lid 1 genoemde vergunningen worden aan de vervoerders afgegeven door de bevoegde autoriteiten van de Staat waar de motorvoertuigen zijn ingeschreven, binnen de grenzen van contingenten die in onderlinge overeenstemming door de bevoegde autoriteiten van de Overeenkomstsluitende Partijen worden vastgesteld. 3. De bevoegde autoriteiten van de Overeenkomstsluitende Partijen zenden elkaar het aantal blanco vergunningen toe dat nodig is om het goederenvervoer onderworpen aan deze Overeenkomst te verrichten.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel