**1.** Wanneer een persoon van Belgische nationaliteit arbeid in loondienst heeft verricht in het voormalige Nederlandsch-Indië, vóór 21 september 1962 in westelijk Nieuw-Guinea, dan wel vóór 29 december 1954 in Suriname of de Nederlandse Antillen, geniet hij, alsmede zijn nagelaten betrekkingen, ongeacht de verblijfplaats, ten laste van de bevoegde Nederlandse organen:
in de leeftijd van 65 jaar af een ouderdomspensioen, bedragende 2% van het volle ouderdomspensioen, voorzien in de Nederlandse wet van 31 mei 1956 inzake een algemene ouderdomsverzekering, (Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden, nr. 281) per jaar tewerkstelling in de genoemde gebieden, vakanties inbegrepen;
de uitkeringen, voorzien in de Nederlandse wet van 9 april 1959 inzake een algemene weduwen- en wezenverzekering (Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden, nr. 139), wanneer de werknemer overleden is gedurende een tijdvak van tewerkstelling in die gebieden, gedurende een tijdvak van een daarmede in verband staande vakantie of na afloop van deze tijdvakken, doch in dit geval ten belope van 2% van die uitkeringen per jaar tewerkstelling in de genoemde gebieden, vakantie inbegrepen.
**2.** De in dit artikel voorziene uitkeringen worden slechts uitbetaald, indien en voor zover zij meer bedragen dan hetgeen door of vanwege de onderneming die de werknemers in de in het eerste lid van dit artikel bedoelde gebieden tewerkgesteld heeft, als pensioen is toegezegd terzake van de in deze gebieden verrichte arbeid.
Artikel 4
Artikel 4
Onderdeel van Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België inzake sociale zekerheid van hun onderdanen die overzee arbeid hebben verricht· Arbeidsrecht en sociaal-zekerheidsrecht
Deze tekst geldt sinds 27 juni 1969