Naar hoofdinhoud

Titel › HOOFDSTUK VIII

Artikel 50

Vrijstelling van rechtshandelingen

Onderdeel van Overeenkomst tot oprichting van de Aziatische Ontwikkelingsbank· Financieel en economisch recht

Deze tekst geldt sinds 29 augustus 1966

1. De Bank geniet immuniteit van iedere vorm van rechtsvordering behalve in gevallen voortspruitende uit of verbandhoudende met haar bevoegdheid geld te lenen, verplichtingen te garanderen, waardepapieren te kopen en te verkopen of deze te syndiceren, in welke gevallen vorderingen tegen de Bank mogen worden ingesteld voor een competente rechter op het grondgebied van een staat waar het hoofdkantoor of een bijkantoor van de Bank is gevestigd, of waar zij een vertegenwoordiger heeft aangewezen voor het aannemen van gerechtelijke aanzeggingen, of waardepapieren heeft uitgegeven of gegarandeerd. 2. Niettegenstaande het bepaalde in het eerste lid van dit artikel mag de Bank geen proces worden aangedaan hetzij door een lid, hetzij door een instantie of dienst van een lid, hetzij door een lichaam dat of een persoon die direct of indirect optreedt voor of vorderingen heeft op een lid of op een instantie of dienst van een lid. Ter regeling van geschillen tussen de Bank en haar leden dienen deze laatste gebruik te maken van daartoe in deze Overeenkomst, in de verordeningen en voorschriften van de Bank of in met de Bank gesloten overeenkomsten opgenomen bijzondere procedures. 3. Eigendommen en activa van de Bank zijn vrij van iedere vorm van inbeslagneming, beslaglegging of executie vóór het uitspreken van een eindvonnis tegen de Bank, onverschillig waar zij zich bevinden en wie daarvan de houder is.

Rechtspraak bij dit artikel