Naar hoofdinhoud

Artikel 11ter

Artikel 11ter

Onderdeel van Overeenkomst inzake luchtvervoer tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek Korea· Vervoersrecht

Deze tekst geldt sinds 19 augustus 2018

1. Overeenkomstig hun rechten en verplichtingen ingevolge het internationale recht, bevestigen de Overeenkomstsluitende Partijen opnieuw dat hun verplichting jegens elkaar de burgerluchtvaart te beveiligen tegen daden van wederrechtelijke inmenging een integrerend onderdeel uitmaakt van deze Overeenkomst. Zonder hun rechten en verplichtingen ingevolge het internationale recht in het algemeen te beperken handelen de Overeenkomstsluitende Partijen in het bijzonder overeenkomstig de bepalingen van het Verdrag inzake strafbare feiten en bepaalde andere handelingen begaan aan boord van luchtvaartuigen, gedaan te Tokio op 14 september 1963, het Verdrag tot bestrijding van het wederrechtelijk in zijn macht brengen van luchtvaartuigen, gedaan te ’s-Gravenhage op 16 december 1970, het Verdrag tot bestrijding van wederrechtelijke gedragingen gericht tegen de veiligheid van de burgerluchtvaart, gedaan te Montreal op 23 september 1971, het Aanvullend Protocol daarbij tot bestrijding van wederrechtelijke daden van geweld op luchthavens voor de internationale burgerluchtvaart, gedaan te Montreal op 24 februari 1988, het Verdrag inzake het merken van kneedspringstoffen ten behoeve van de opsporing ervan, gedaan te Montreal op 1 maart 1991, alsmede elk ander verdrag inzake de beveiliging van de burgerluchtvaart dat voor beide Overeenkomstsluitende Partijen bindend wordt. 2. De Overeenkomstsluitende Partijen verlenen elkaar op verzoek alle nodige bijstand ter voorkoming van gedragingen van het wederrechtelijk in zijn macht brengen van burgerluchtvaartuigen en andere wederrechtelijke gedragingen gericht tegen de veiligheid van deze luchtvaartuigen, de passagiers en bemanning daarvan, luchthavens en luchtvaartvoorzieningen, alsmede elke andere bedreiging voor de beveiliging van de burgerluchtvaart. 3. De Overeenkomstsluitende Partijen handelen, in hun onderlinge betrekkingen, in overeenstemming met de bepalingen inzake beveiliging van de luchtvaart vastgesteld door de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie en aangeduid als Bijlagen bij het Verdrag van Chicago, voor zover deze bepalingen inzake beveiliging van toepassing zijn op de Overeenkomstsluitende Partijen. De Overeenkomstsluitende Partijen verlangen dat hun luchtvaartmaatschappijen en luchthavenexploitanten op hun grondgebied handelen in overeenstemming met dergelijke bepalingen inzake beveiliging van de luchtvaart. 4. Elke Overeenkomstsluitende Partij stemt ermee in dat van haar luchtvaartmaatschappijen kan worden verlangd dat deze de in het derde lid van dit artikel bedoelde bepalingen inzake beveiliging van de luchtvaart in acht nemen die door de andere Overeenkomstsluitende Partij zijn voorgeschreven voor de binnenkomst op, het vertrek uit of het verblijf op het grondgebied van die andere Overeenkomstsluitende Partij. Bij binnenkomst op, vertrek uit of verblijf op het grondgebied van de Republiek Korea wordt van luchtvaartmaatschappijen verlangd dat zij de bepalingen inzake beveiliging van de luchtvaart in acht nemen in overeenstemming met de wetten en voorschriften van de Republiek Korea. Bij binnenkomst op, vertrek uit of verblijf op het grondgebied van het Koninkrijk der Nederlanden wordt van luchtvaartmaatschappijen verlangd dat zij de bepalingen inzake beveiliging van de luchtvaart in acht nemen in overeenstemming met het recht van de Europese Unie. 5. Elke Overeenkomstsluitende Partij waarborgt dat op haar grondgebied adequate maatregelen op doeltreffende wijze worden uitgevoerd om de luchtvaartuigen te beschermen en dat passagiers, bemanning, handbagage, bagage, vracht, catering aan boord en proviand vóór en tijdens het aan boord gaan of het laden aan controles worden onderworpen. Elke Overeenkomstsluitende Partij neemt tevens elk verzoek van de andere Overeenkomstsluitende Partij binnen redelijke grenzen bijzondere beveiligingsmaatregelen te nemen om een specifieke dreiging het hoofd te bieden, in welwillende overweging. 6. Wanneer een incident van het wederrechtelijk in zijn macht brengen van een burgerluchtvaartuig of andere wederrechtelijke gedragingen gericht tegen de veiligheid van een burgerluchtvaartuig, zijn passagiers en bemanning, luchthavens of luchtvaartvoorzieningen plaatsvindt of dreigt plaats te vinden, verlenen de Overeenkomstsluitende Partijen elkaar bijstand door het vergemakkelijken van de communicatie en andere passende maatregelen teneinde snel en veilig een einde te maken aan een dergelijk incident of dergelijke dreiging. 7. Wanneer een Overeenkomstsluitende Partij redelijke gronden heeft om aan te nemen dat de andere Overeenkomstsluitende Partij is afgeweken van de bepalingen inzake beveiliging van de luchtvaart in dit artikel, kunnen de luchtvaartautoriteiten van de eerstgenoemde Overeenkomstsluitende Partij verzoeken om onverwijld overleg met de luchtvaartautoriteiten van de andere Overeenkomstsluitende Partij. 8. Indien zij er niet in slagen binnen vijftien (15) dagen na aanvang van dergelijk overleg tot een bevredigende oplossing te komen, vormt dit een grond voor het weigeren, intrekken, opschorten of opleggen van voorwaarden ten aanzien van de exploitatievergunning van de luchtvaartmaatschappij of luchtvaartmaatschappijen die door de andere Overeenkomstsluitende Partij is of zijn aangewezen. Indien zulks gerechtvaardigd is vanwege een noodgeval of om verdere inbreuken op de bepalingen van dit artikel te voorkomen, kan de eerste Overeenkomstsluitende Partij te allen tijde tussentijdse maatregelen nemen. Ingevolge artikel 1, derde lid, van de Overeenkomst van 25 juni 2020 zal, wanneer in de Engelse tekst van de bilaterale Overeenkomst, met Bijlage, wordt verwezen naar „air carriers or airlines” van het Koninkrijk der Nederlanden, dit worden begrepen als een verwijzing naar de door het Koninkrijk der Nederlanden aangewezen „air carriers or airlines” (Trb. 2021/157).

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel