Naar hoofdinhoud
(1). De Regering van elk der Beneluxlanden neemt onderdanen van een van die landen, die de Franse Autoriteiten voornemens zijn te verwijderen, zonder formaliteiten en zonder tussenkomst van haar Diplomatieke Vertegenwoordigers op haar grondgebied over, voor zover vaststaat of aangenomen kan worden dat bedoelde personen onderdanen zijn van een der Beneluxlanden. (2). Het bezit van de nationaliteit van een der Beneluxlanden kan worden vastgesteld of verondersteld aan de hand van een nationaliteitsbewijs, een naturalisatiebewijs, een nationaal paspoort of een nationale identiteitskaart, ook indien deze ten onrechte zijn afgegeven of sedert ten hoogste tien jaar zijn verlopen. Bedoelde nationaliteit kan eveneens op grond van andere gegevens worden verondersteld. (3). Zulke personen worden overgenomen op vertoon van een der in lid (2) opgesomde bescheiden, dan wel op grond van elk ander document waaruit de nationaliteit van de houder kan worden afgeleid. (4). De Regering van de Franse Republiek neemt de overeenkomstig de bepalingen van de leden (1) t/m (3) van haar grondgebied verwijderde personen terug, indien uit een onmiddellijk door de autoriteiten van de Beneluxlanden ingesteld nader onderzoek blijkt dat deze personen op het ogenblik van verwijdering van Frans grondgebied geen onderdaan van een van deze landen waren, voor zover voor de Regering van een der Beneluxlanden geen verplichting tot overname op grond van de artikelen 2, 3 of 4 bestaat. (5). Wanneer het vermoeden betreffende de nationaliteit ongegrond blijkt, kan de overname afhankelijk gesteld worden van een overnameverklaring.

Rechtspraak bij dit artikel