Naar hoofdinhoud
1. Iedere Overeenkomstsluitende Partij kan ten tijde van de ondertekening of bij de nederlegging van haar akte van bekrachtiging, aanvaarding of toetreding bepalen op welk gebied of welke gebieden deze Overeenkomst van toepassing is. 2. Iedere Overeenkomstsluitende Partij kan ten tijde van de nederlegging van haar akte van bekrachtiging, aanvaarding of toetreding, of op een later tijdstip, door middel van een aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa gerichte verklaring, deze Overeenkomst uitbreiden tot ieder ander gebied of alle andere gebieden in deze verklaring genoemd, waarvan zij de internationale betrekkingen behartigt, of in naam waarvan zij bevoegd is verbintenissen aan te gaan. 3. Elke overeenkomstig het vorig lid afgelegde verklaring kan, met betrekking tot ieder in zulk een verklaring aangegeven gebied, worden ingetrokken, met inachtneming van het bepaalde in artikel 8 van deze Overeenkomst.

Rechtspraak bij dit artikel