Naar hoofdinhoud
1. Iedere Overeenkomstsluitende Partij die ervan in kennis wordt gesteld of die bemerkt dat in de kosmische ruimte gebrachte voorwerpen of samenstellende delen daarvan naar de aarde zijn teruggekeerd in een onder haar rechtsbevoegdheid vallend gebied, dan wel in open zee of op enige andere plaats die niet onder de rechtsbevoegdheid van enige Staat valt, geeft daarvan kennis zowel aan de autoriteit die verantwoordelijk is voor de lancering, als aan de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties. 2. Iedere Overeenkomstsluitende Partij die rechtsbevoegdheid heeft over het gebied waar in de kosmische ruimte gebrachte voorwerpen of samenstellende delen daarvan zijn aangetroffen, neemt, ingeval de autoriteit die verantwoordelijk is voor de lancering daarom verzoekt, en met de hulp van die autoriteit, zo deze wordt ingeroepen, alle maatregelen die zij uitvoerbaar acht voor de opsporing van die voorwerpen of de samenstellende delen. 3. Op verzoek van de autoriteit die verantwoordelijk is voor de lancering, worden in de kosmische ruimte gebrachte voorwerpen of samenstellende delen daarvan, die worden aangetroffen buiten de territoriale grenzen van de autoriteit die verantwoordelijk is voor de lancering, teruggezonden aan of ter beschikking gehouden van vertegenwoordigers van de autoriteit die verantwoordelijk is voor de lancering, die, zo haar daarom wordt verzocht, alvorens tot terugzending wordt overgegaan gegevens verstrekt die identificatie mogelijk maken. 4. Onverminderd het bepaalde in het tweede en het derde lid van dit artikel, kan een Overeenkomstsluitende Partij die reden heeft aan te nemen dat in de kosmische ruimte gebrachte voorwerpen of samenstellende delen daarvan, aangetroffen op een onder haar rechtsbevoegdheid vallend gebied, of elders door haar opgespoord, gevaarlijk of schadelijk zijn, de autoriteit die verantwoordelijk is voor de lancering daarvan in kennis stellen, waarna deze onverwijld, onder leiding en toezicht van bedoelde Overeenkomstsluitende Partij, doeltreffende maatregelen neemt om eventuele schade of eventueel gevaar weg te nemen. 5. Kosten die worden gemaakt in verband met het nakomen van verplichtingen, verband houdende met het opsporen en terugzenden van in de kosmische ruimte gebrachte voorwerpen of samenstellende delen daarvan, ingevolge het bepaalde in het tweede en derde lid van dit artikel, zijn voor rekening van de autoriteit die verantwoordelijk is voor de lancering.

Rechtspraak bij dit artikel