Naar hoofdinhoud
1. De Hongaarse Regering betaalt aan de Nederlandse Regering, als algehele afdoening van alle onder a) en b) hieronder omschreven aanspraken - voor zover deze nog niet zijn geregeld - een bedrag van 925 000 (negenhonderdvijfentwintigduizend) gulden, volgens onderstaand schema: — binnen een termijn van 60 dagen te rekenen van de inwerkingtreding van deze Overeenkomst................................................................................ ƒ 300 000,— — binnen een termijn van een jaar te rekenen van de inwerkingtreding van deze Overeenkomst................................................................................. ƒ 625 000,— aanspraken op grond van verliezen geleden door het Koninkrijk der Nederlanden en door Nederlandse natuurlijke personen of rechtspersonen wier eigendommen, rechten, belangen en schuldvorderingen in Hongarije zijn getroffen door Hongaarse maatregelen strekkende tot nationalisatie, onteigening, openbaar beheer, liquidatie dan wel om andere maatregelen voortvloeiend uit structurele veranderingen in de Hongaarse economie; aanspraken van de Nederlandse Regering en van Nederlandse natuurlijke personen of rechtspersonen jegens Hongarije krachtens artikel 26 van het op 10 februari 1947 te Parijs ondertekende Vredesverdrag. 2. De Nederlandse Regering en de Hongaarse Regering nemen met voldoening kennis van de tussen het Hongaarse Ministerie van Financiën en de „Vereeniging voor den Effectenhandel”, op 18 december 1964, tot stand gekomen overeenkomst ter aflossing van de in Hongarije uitgegeven en in handen van Nederlandse personen zijnde obligaties en pandbrieven, krachtens welke overeenkomst Hongarije aan de „Vereeniging voor den Effectenhandel” ter algehele aflossing een bedrag van 325 000 (driehonderdvijfentwintigduizend) gulden betaalt.

Rechtspraak bij dit artikel