Voor de toepassing van dit Protocol wordt verstaan onder:
„Verdrag”: het Verdrag betreffende grensoverschrijdende luchtverontreiniging over lange afstand, aangenomen te Genève op 13 november 1979;
„EMEP”: het Programma voor samenwerking inzake de bewaking en evaluatie van het transport van luchtverontreinigende stoffen over lange afstand in Europa;
„Uitvoerend Orgaan”: het Uitvoerend Orgaan voor het Verdrag, opgericht ingevolge artikel 10, eerste lid, van het Verdrag;
„Commissie”: de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties.
„Partijen”: de Partijen bij dit Protocol, tenzij de context anders vereist;
„Geografische reikwijdte van het EMEP”: het gebied, omschreven in artikel 1, vierde punt, van het Protocol bij het Verdrag van 1979 betreffende grensoverschrijdende luchtverontreiniging over lange afstand aangaande de langlopende financiering van het programma voor samenwerking inzake de bewaking en evaluatie van het transport van luchtverontreinigende stoffen over lange afstand in Europa (EMEP), aangenomen te Genève op 28 september 1984;
„SOMA”: een zwaveloxiden-beheersgebied (sulpher oxides management area) in Bijlage III als zodanig aangemerkt onder de in artikel 2, derde lid, genoemde voorwaarden;
„Kritische belasting”: een kwantitatieve schatting van de blootstelling aan één of meer verontreinigende stoffen, beneden welke zich volgens de huidige kennis geen aanzienlijke schadelijke gevolgen voor nader omschreven gevoelige bestanddelen van het milieu voordoen;
„Kritisch niveau”: de concentratie van verontreinigende stoffen in de atmosfeer, boven welke zich volgens de huidige kennis rechtstreekse schadelijke gevolgen voor mensen, planten, ecosystemen of materialen, kunnen voordoen;
„Kritische zwaveldepositie”: een kwantitatieve schatting van de blootstelling aan geoxydeerde zwavelverbindingen, rekening houdend met de gevolgen van de opname van basische kationen en de depositie van basische kationen, beneden welke zich volgens de huidige kennis geen aanzienlijke schadelijke gevolgen voor nader omschreven bestanddelen van het milieu voordoen:
„Emissies”: de uitstoot van stoffen in de atmosfeer;
„Zwavelemissies”: alle emissies in de atmosfeer van zwavelverbindingen, uitgedrukt in kiloton zwaveldioxide (kt SO2), afkomstig uit antropogene bronnen, met uitzondering van schepen in het internationale verkeer buiten de territoriale wateren;
„Brandstof”: elk vast, vloeibaar of gasvormig brandbaar materiaal, met uitzondering van huisvuil en giftige of gevaarlijke afvalstoffen;
„Stationaire verbrandingsbron”: een technisch toestel, of groep technische toestellen bijeengeplaatst op een gemeenschappelijk terrein, die via een gemeenschappelijke schoorsteen rookgassen uitstoot of zou kunnen uitstoten, waarin brandstoffen worden geoxydeerd teneinde de opgewekte warmte te gebruiken;
„Belangrijke nieuwe stationaire verbrandingsbron”: een stationaire verbrandingsbron voor de bouw of ingrijpende wijziging waarvan na 31 december 1995 vergunning is verleend en waarvan de thermische belasting, bij functioneren op het nominale vermogen, ten minste 50 MWth is. Het is aan de bevoegde nationale autoriteiten om te beslissen of een wijziging al dan niet ingrijpend is, rekening houdend met factoren als de voordelen van de wijziging in milieu-opzicht;
„Belangrijke bestaande stationaire verbrandingsbron”: een bestaande stationaire verbrandingsbron waarvan de thermische belasting, bij functioneren op het nominale vermogen, ten minste 50 MWth is;
„Gasolie”: een aardolieprodukt dat onder GS-code 2710 valt of een aardolieprodukt dat op grond van zijn destillatiegrenzen behoort tot de middeldestillaten die bestemd zijn voor gebruik als brandstof en die, destillatieverliezen inbegrepen, voor ten minste 85% van hun volume overdestilleren bij 350° C;
„Emissiegrenswaarde”: de toelaatbare concentratie van zwavelverbindingen, uitgedrukt als zwaveldioxide, in de rookgassen uit een stationaire verbrandingsbron, uitgedrukt in massa per volume van de rookgassen, weergegeven als mg SO2/Nm3, uitgaande van een zuurstofgehalte in het rookgas van 3 volumepercenten in het geval van vloeibare of gasvormige brandstoffen en 6 volumepercenten in het geval van vaste brandstoffen;
„Emissiebegrenzing”: de toelaatbare totale hoeveelheid zwavelverbindingen, uitgedrukt als zwaveldioxide, afkomstig uit een verbrandingsbron of een groep verbrandingsbronnen, gelegen hetzij op een gemeenschappelijk terrein, hetzij in een bepaald geografisch gebied, uitgedrukt in kiloton per jaar;
„Ontzwavelingspercentage”: de verhouding van de hoeveelheid zwavel die over een bepaalde periode op de locatie van de verbrandingsbron wordt afgescheiden ten opzichte van de hoeveelheid zwavel die de brandstof bevat die wordt ingebracht in de verbrandingsbron met de daarbij behorende voorzieningen en die in die zelfde periode wordt verbruikt;
„Zwavelbudget”: een matrix van berekende bijdragen aan de depositie van geoxydeerde zwavelverbindingen in ontvangstgebieden, afkomstig van de emissies vanuit nader omschreven gebieden.
Artikel 1
Begripsomschrijvingen
Onderdeel van Protocol bij het Verdrag van 1979 betreffende grensoverschrijdende luchtverontreiniging over lange afstand inzake de verdergaande vermindering van zwavelemissies· Arbitrage
Deze tekst geldt sinds 5 augustus 1998