Het vervoer van personen door middel van geregelde autobusdiensten wordt verricht krachtens een bijzondere vergunning. De bijzondere vergunning wordt verleend door de bevoegde autoriteiten van elke Overeenkomstsluitende Partij voor het gedeelte van het traject dat op haar grondgebied is gelegen en op basis van wederkerigheid, behoudens in geval van een andere beslissing van de bevoegde autoriteiten.
De geldigheidsduur van de bijzondere vergunning wordt in onderlinge overeenstemming vastgesteld door de bevoegde autoriteiten van de Overeenkomstsluitende Partijen.
Aan de ondernemingen wordt een bijzondere vergunning verleend voor de uitvoering van het vervoer op een bepaalde lijn op grond van een aanvraag welke door hen wordt ingediend bij de bevoegde autoriteit van het land van herkomst van de aanvrager.
De aanvraag dient vergezeld te gaan van de benodigde bescheiden (ontwerpdienstregeling, -tarief en -reisweg, plan van de jaarlijkse exploitatie, opgave van die voor de ingang van de dienst voorgestelde datum), alsmede van andere door de bevoegde autoriteiten van de Overeenkomstsluitende Partijen gewenste inlichtingen.
De bevoegde autoriteit van de ene Overeenkomstsluitende Partij zendt aan de bevoegde autoriteit van de andere Overeenkomstsluitende Partij de ingewilligde aanvragen, voorzien van de vereiste bescheiden, alsmede een afschrift van de bijzondere vergunning voor het uitoefenen van het vervoer over het traject op zijn grondgebied.
Titel I
Artikel 3
Artikel 3
Onderdeel van Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Socialistische Federatieve Republiek Joegoslavië betreffende het internationale wegvervoer· Vervoersrecht
Deze tekst geldt sinds 4 april 1967