Naar hoofdinhoud

Artikel 13

Artikel 13

Onderdeel van Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Unie van Socialistische Sowjet-Republieken inzake de Handelsscheepvaart· Vervoersrecht

Deze tekst geldt sinds 14 september 1971

1. De gerechtelijke autoriteiten van een der Overeenkomstsluitende Partijen nemen slechts na instemming van een bevoegde diplomatieke of consulaire functionaris van de vlagstaat kennis van vorderingen welke betrekking hebben op een overeenkomst tot het verrichten van arbeid als lid van de bemanning van een schip van de andere Overeenkomstsluitende Partij. 2. Wanneer een lid van de bemanning van een schip van een Overeenkomstsluitende Partij aan boord van dat schip een strafbaar feit begaat, terwijl het schip zich op de binnenwateren van de andere Overeenkomstsluitende Partij bevindt, stellen de autoriteiten van de staat waar het schip zich bevindt zonder instemming van een bevoegde diplomatieke of consulaire functionaris van de vlagstaat geen vervolging tegen hem in, tenzij naar hun oordeel: de gevolgen van het strafbare feit zich uitstrekken tot het grondgebied van de staat waar het schip zich bevindt, of het strafbare feit aldaar de openbare orde verstoort of de veiligheid in gevaar brengt, of het strafbare feit volgens de wet van de staat waar het schip zich bevindt een ernstig misdrijf oplevert, of het strafbare feit is begaan tegen een ander dan een lid van de bemanning, of het instellen van een vervolging noodzakelijk is voor de onderdrukking van de verboden handel in verdovende middelen. 3. Het bepaalde in lid 2 laat onverlet de bevoegdheden tot het houden van toezicht en het verrichten van opsporing of onderzoek welke de autoriteiten van elk der Overeenkomstsluitende Partijen aan hun nationale wet ontlenen.

Rechtspraak bij dit artikel