Naar hoofdinhoud

Artikel 11

Artikel 11

Onderdeel van Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Unie van Socialistische Sowjet-Republieken inzake de Handelsscheepvaart· Vervoersrecht

Deze tekst geldt sinds 14 september 1971

1. Aan houders van de in artikel 9 van de onderhavige overeenkomst genoemde identiteitsbewijzen voor zeevarenden wordt toegestaan als passagier met enig vervoermiddel het grondgebied van de andere Overeenkomstsluitende Partij binnen te komen of zich op doorreis op haar grondgebied te bevinden, indien zij zich naar hun schip begeven of overgaan op een ander schip, zich naar hun vaderland begeven of reizen voor enig ander doel dat de goedkeuring heeft van de Overheid van de andere Overeenkomstsluitende Partij. 2. In alle gevallen genoemd in lid 1 dienen de zeevarenden in het bezit te zijn van de benodigde visa van de andere Overeenkomstsluitende Partij, welke door de bevoegde autoriteiten in de korst mogelijke tijd zullen worden afgegeven. 3. Indien een houder van een in artikel 9 van de onderhavige Overeenkomst genoemd identiteitsbewijs voor zeevarenden niet de nationaliteit bezit van een van de Overeenkomstsluitende Partijen, zullen de in het onderhavige artikel bedoelde inreis- en doorreisvisa voor het grondgebied van de andere Overeenkomstsluitende Partij worden afgegeven op voorwaarde dat de terugkeer van de houder naar het grondgebied van de Overeenkomstsluitende Partij, die dat identiteitsbewijs heeft afgegeven, is gewaarborgd.

Rechtspraak bij dit artikel