Naar hoofdinhoud
1. Iedere Overeenkomstsluitende Partij die van oordeel is, dat ongelijkheden die voortvloeien uit de toepassing, hetzij van douanerechten, hetzij van kwantitatieve beperkingen, hetzij van enige maatregel van gelijke werking bij invoer, alsmede van enige andere handelspolitieke maatregel, een verlegging van het handelsverkeer of economische moeilijkheden op haar grondgebied dreigen mede te brengen, kan zich tot de Associatieraad wenden, die, zo het geval zich voordoet, de methoden aanbeveelt die geschikt zijn om de schade die daaruit kan voortvloeien, te vermijden. 2. Wanneer zich een verlegging van het handelsverkeer of economische moeilijkheden voordoen en de betrokken Partij van oordeel is dat deswege onverwijld ingrijpen noodzakelijk is, kan zij zelf de nodige beschermende maatregelen nemen, onder onverwijlde kennisgeving daarvan aan de Associatieraad, die kan beslissen of de betrokken Partij deze maatregelen moet wijzigen of opheffen. 3. Bij voorrang moeten die maatregelen worden gekozen, die de werking van de Associatie en met name de normale ontwikkeling van het handelsverkeer het minst verstoren.

Rechtspraak bij dit artikel