Naar hoofdinhoud

Artikel 16

Overbrenging van gedetineerden ter fine van rechtshulp

Onderdeel van Verdrag betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Marokko· Strafrecht

Deze tekst geldt sinds 1 december 2012

1. Indien de verzoekende partij de verschijning in persoon, hetzij als getuige, hetzij met het oog op een confrontatie of andere benodigde onderzoeksmaatregel, noodzakelijk acht van een persoon die op het grondgebied van de aangezochte partij gedetineerd is, kan zij verzoeken om de tijdelijke overbrenging van deze persoon naar haar grondgebied, op voorwaarde dat hij binnen de door de aangezochte partij vastgestelde termijn wordt teruggebracht en onder voorbehoud van het bepaalde in artikel 15, voor zover van toepassing. 2. Wanneer de verzoekende partij het noodzakelijk acht dat een op haar grondgebied gedetineerde persoon tijdelijk wordt overgebracht naar het grondgebied van de aangezochte partij teneinde daar als getuige op te treden of met het oog op een confrontatie of andere onderzoeksmaatregel, kan zij om de tijdelijke overbrenging van deze persoon verzoeken, op voorwaarde dat hij onmiddellijk na de uitvoering van het verzoek wordt teruggebracht en onder voorbehoud van het bepaalde in artikel 15, voor zover dit toepassing kan vinden. 3. De in het eerste lid voorziene overbrenging kan worden geweigerd: indien de aanwezigheid van de persoon vereist is in een lopende strafrechtelijke procedure; indien de overbrenging de duur van de detentie van de persoon zou kunnen verlengen; indien andere dringende overwegingen zich tegen de overbrenging verzetten; in de gevallen waarin de verschijning in persoon als getuige wordt gevraagd, indien de persoon daar niet mee instemt. 4. Voor de in het eerste en tweede lid voorziene overbrenging is de instemming van de aangezochte partij vereist.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel