Naar hoofdinhoud

Artikel 4

Artikel 4

Onderdeel van Protocol betreffende de nationale behandeling bij de aanbesteding van werken en de aankoop van goederen· Financieel en economisch recht

Deze tekst geldt sinds 29 augustus 1958

A. De Nederlandse aannemers, die in België of Luxemburg werken wensen uit te voeren, dienen hun aanvraag tot het verkrijgen van de vereiste vergunning in bij de betrokken Belgische of Luxemburgse instanties, door tussenkomst van het Nederlandse Ministerie van Economische Zaken. Deze aanvragen gaan vergezeld van een advies van het Nederlandse Ministerie van Economische Zaken gehoord de betrokken beroepsorganisatie. Bij het opstellen van dit advies wordt rekening gehouden met de ter zake geldende Belgische of Luxemburgse normen. B. De Belgische en Luxemburgse aannemers, die in Nederland werken wensen uit te voeren, dienen hun aanvraag tot het verkrijgen van een vestigingsvergunning bij het Nederlandse Ministerie van Economische Zaken in, door tussenkomst van het betrokken Belgische of Luxemburgse Ministerie. De aanvraag van de Belgische aannemer gaat vergezeld van een advies van het Belgische Ministerie van Economische Zaken opgesteld volgens een door het Belgische Ministerie van Openbare Werken afgegeven verklaring. De aanvraag van de Luxemburgse aannemer gaat vergezeld van een advies van het Luxemburgse Ministerie van Economische Zaken. Deze adviezen worden afgegeven, nadat de bevoegde Belgische of Luxemburgse organisaties zijn gehoord. Bij het opstellen van dit advies wordt rekening gehouden met de ter zake geldende Nederlandse normen. C. Voor de toepassing van hun nationale normen houden de bevoegde autoriteiten van ieder land rekening met de sub A en B van dit artikel bedoelde adviezen voor wat betreft vakbekwaamheid en ervaring. D. De beslissingen op de sub A en B van dit artikel bedoelde aanvragen worden genomen binnen een maand nadat deze door de nationale administraties zijn ontvangen en worden terstond aan de betrokkenen medegedeeld. E. Iedere Regering waakt er voor, dat de aannemers uit de partnerlanden bij de toepassing van eventuele particuliere mededingingsregelingen even gunstig behandeld worden als de nationale aannemers. Voor voorlopige toepassing zie ook Trb. 1958/137. Voor voorlopige toepassing zie ook Trb. 1958/137.

Rechtspraak bij dit artikel