Naar hoofdinhoud
1. De partijen komen overeen dat hun diensten elkaar bijstand verlenen, onder eerbiediging van hun nationale wetgeving en binnen de grenzen van hun bevoegdheden, teneinde strafbare feiten te voorkomen en op te sporen, voor zover het nationale recht het verzoek niet voorbehoudt aan de rechterlijke autoriteiten en het verzoek en de uitvoering ervan geen toepassing van dwangmaatregelen door de aangezochte partij met zich meebrengen. Indien de aangezochte diensten niet bevoegd zijn om een verzoek uit te voeren, zenden zij het verzoek door naar de bevoegde autoriteiten en brengen zij de verzoekende autoriteiten hiervan op de hoogte. 2. Zonder afbreuk te doen aan de algemene bevoegdheden van de nationale centrale autoriteiten kunnen de in artikel 2 bedoelde diensten elkaar, in het kader van hun respectieve bevoegdheden, in het bijzonder verzoeken om bijstand toezenden betreffende het handhaven van de openbare orde, de bestrijding van illegale immigratie en van alle andere vormen van criminaliteit, in het bijzonder op de volgende gebieden: identificatie van de houders, bestuurders en passagiers van gemotoriseerde landvoertuigen; identificatie van voertuigen en verificatie van de status ervan; identificatie van de houders, bestuurders en passagiers van vaartuigen; verzoeken betreffende rijbewijzen; verzoeken betreffende vaarbewijzen of -vergunningen; onderzoek naar de huidige woon- en verblijfplaatsen; identificatie van de houders van telefoon- en communicatielijnen; vaststelling van de identiteit van personen en van hun administratieve status; verstrekking van politiegegevens afkomstig uit computerbestanden of andere documenten die deze diensten onder zich hebben; opstelling van plannen, afstemming van opsporingsmaatregelen en instelling van opsporingen in spoedeisende gevallen; verificatie van de aanwezigheid van materiële sporen; verificatie van de echtheid en geldigheid van identiteits- en reisdocumenten. 3. De op deze wijze op grond van het eerste lid van dit artikel aangezochte diensten beantwoorden de verzoeken rechtstreeks, tenzij het nationale recht de behandeling ervan aan de rechterlijke autoriteiten voorbehoudt. In dat geval wordt het verzoek om bijstand rechtstreeks en onverwijld aan de territoriaal bevoegde gerechtelijke autoriteit gericht, die dit verzoek, overeenkomstig het geldende recht, als een verzoek om wederzijdse rechtshulp behandelt en het antwoord via de in eerste instantie aangezochte diensten terugzendt.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel