Rechtsvorderingen tegen de Bank, behoudens die welke vallen onder artikel 43 van dit Verdrag, kunnen slechts worden ingesteld voor een bevoegde rechter op het grondgebied van een lid waarin de Bank een kantoor heeft of een vertegenwoordiger heeft aangewezen voor het aannemen van gerechtelijke aanzeggingen. Er mag geen vordering worden ingesteld door i leden of personen die optreden voor of vorderingen hebben op leden of (ii) met betrekking tot persoonlijke kwesties. Eigendommen en activa van de Bank zijn vóór het uitspreken van het eindvonnis of de scheidsrechterlijke uitspraak tegen de Bank vrij van inbeslagneming, beslaglegging of executie, ongeacht waar deze zich bevinden en ongeacht wie deze in bezit heeft.
HOOFDSTUK VIII
Artikel 35
Rechtsgedingen
Onderdeel van Verdrag tot oprichting van de Bank voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling in het Midden-Oosten en Noord-Afrika· Internationaal publiekrecht