Naar hoofdinhoud
1. Elke Lid-Staat die van het bij artikel 13 van het Europees Verdrag toegestane voorbehoud gebruik heeft gemaakt, verklaart of hij voor de toepassing van deze Overeenkomst gebruik wenst te maken van dit voorbehoud. 2. Elke Lid-Staat die het Europees Verdrag heeft ondertekend, maar niet bekrachtigd, aanvaard of goedgekeurd, verklaart of hij voor de toepassing van deze Overeenkomst gebruik wenst te maken van het bij artikel 13 van dat Verdrag toegestane voorbehoud. 3. Elke Lid-Staat die het Europees Verdrag niet heeft ondertekend, kan verklaren of hij zich het recht voorbehoudt uitlevering wegens een delict genoemd in artikel 1 van het Europees Verdrag te weigeren, wanneer hij dat delict als een politiek delict, als een met een politiek delict samenhangend feit of als een feit, ingegeven door politieke motieven beschouwt, op voorwaarde dat hij zich ertoe verplicht de zaak in alle gevallen en zonder onnodig uitstel voor vervolging aan zijn bevoegde autoriteiten over te dragen. Deze autoriteiten nemen hun beslissing op dezelfde wijze als in geval van een strafbaar feit van ernstige aard krachtens de wetgeving van die Staat. 4. Voor de toepassing van deze Overeenkomst mogen alleen de bij het derde lid van dit artikel en de bij artikel 13 van het Europees Verdrag bepaalde voorbehouden worden gemaakt. Ieder ander voorbehoud is tussen de Lid-Staten zonder gevolg. 5. Een Lid-Staat die een voorbehoud heeft gemaakt, kan de toepassing van deze Overeenkomst door een andere Staat slechts in zoverre verlangen als de Overeenkomst zelf op de eerstgenoemde Staat van toepassing is.

Rechtspraak bij dit artikel