Naar hoofdinhoud
1. Het Koninkrijk der Nederlanden staat ervoor in, dat Nederlandse naamloze vennootschappen waarvan het gehele geplaatste kapitaal als Duits vermogen krachtens het Besluit Vijandelijk Vermogen op het Koninkrijk der Nederlanden is overgegaan en tot op de dag van ondertekening van dit Verdrag niet aan derden is overgedragen, hun vermogensbestanddelen die zich op het ogenblik van inwerkingtreding van dit Verdrag in de Bondsrepubliek Duitsland met inbegrip van het „Land” Berlijn bevinden, ter vrije beschikking stellen van de voormalige Duitse aandeelhouders of hun rechtsopvolgers. Dit geldt niet voor zover het overige vermogen van de vennootschap niet voldoende is om haar schulden te dekken. 2. Lid 1 wordt ook dan toegepast indien enige aandelen die gezamenlijk een gering percentage van het kapitaal vormen, bij de inwerkingtreding van het Besluit Vijandelijk Vermogen toebehoorden aan niet-Duitse commissarissen, directeuren of andere leidinggevende employés van de betrokken vennootschap. 3. Lid 1 en lid 2 gelden overeenkomstig voor alle andere Nederlandse rechtspersonen in de zin van artikel 1 sub 4 van het Besluit Vijandelijk Vermogen. 4. De rechtspositie met betrekking tot het zich in de Bondsrepubliek Duitsland met inbegrip van het „Land” Berlijn bevindende vermogen van Nederlandse rechtspersonen in de zin van artikel 1 sub 4 van het Besluit Vijandelijk Vermogen wordt in de gevallen die niet door deze bepalingen worden geregeld, niet aangetast door de leden 1 tot en met 3. 5. De bepalingen van artikel 9, lid 2, van dit Verdrag gelden overeenkomstig.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel