De in artikel 1 genoemde betaling vindt plaats met het oog op:
de nog resterende Nederlandse vorderingen uit hoofde van de bij notawisseling van 19 mei 1952 te 's-Gravenhage tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland gesloten overeenkomst inzake de restitutie van Duitse in Rijksmark luidende effecten;
de uitgaven welke Nederlandse publiekrechtelijke lichamen en de N.V. Nederlandsche Spoorwegen tot en met 31 maart 1960 hebben gedaan in de in artikel 4 van het heden ondertekende Grensverdrag aangegeven gebieden;
de bijdrage van de Bondsrepubliek Duitsland in de kosten van de voorgenomen normalisering van de Westerwoldsche Aa (§ 47 van Bijlage A bij het Grensverdrag);
de vorderingen, naar voren gebracht ten behoeve van Nederlanders die om redenen van ras, geloof of wereldbeschouwing getroffen zijn door nationaal-socialistische vervolgingsmaatregelen;
alle tijdens de heden afgesloten onderhandelingen door de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden geldend gemaakte aanspraken inzake:
alle door Duitse instellingen uitgegeven effecten (met inbegrip van hiervoor uitgegeven certificaten) die tijdens de tweede wereldoorlog uit Nederland zijn weggevoerd en ten aanzien waarvan niet reeds een regeling is getroffen bij de Nederlands-Duitse notawisseling van 19 mei 1952, voor zover de uitgevende instellingen gevestigd zijn in het gebied van de Bondsrepubliek Duitsland met inbegrip van het „Land” Berlijn, of voor zover deze effecten onderworpen zijn aan de in dit gebied voorgeschreven „Wertpapierbereinigung”.
kredieten welke verband houden met het op 11 mei 1920 te 's-Gravenhage ondertekende Verdrag tussen de Nederlandse en de Duitse Regering inzake krediet en steenkolen (Tredefina-Verdrag);
tegoeden welke op 8 mei 1945 bij Duitse kredietinstellingen werden aangehouden ten name van voormalige nationaalsocialistische organisaties in Nederland;
de kredieten aan ondernemingen van de Duitse celwolindustrie, waarvoor de Reichskreditgesellschaft zich als borg heeft verbonden;
tegoeden en gelden welke tijdens de tweede wereldoorlog door in Nederland aangestelde „Verwalter” naar Duitsland zijn overgemaakt of weggevoerd;
de op 14 december 1950 te Niederbreisig ondertekende Nederlands-Duitse overeenkomst tot regeling van de met de restitutie van binnenschepen verband houdende vraagstukken.
Artikel 2
Artikel 2
Deze tekst geldt sinds 1 augustus 1963