**1.** Van iedere Staat welke lid is van de Organisatie hebben niet meer dan twee afgevaardigden zitting in de Raad; tijdens zittingen van de Raad kunnen deze afgevaardigden zich doen vergezellen van adviseurs.
**2.** Met inachtneming van de bepalingen van dit Verdrag zal de Raad
het beleid van de Organisatie vaststellen in wetenschappelijke, technische en administratieve aangelegenheden;
de programma's van de Organisatie goedkeuren;
de hoofdstukken van de begroting die op de verschillende programma's betrekking hebben met een twee derde meerderheid van de vertegenwoordigde Staten die hun stem uitbrengen aannemen en de financiële regelingen van de Organisatie vaststellen in overeenstemming met het aan dit Verdrag gehechte Financieel Protocol;
de uitgaven nagaan en de door accountants geverifieerde jaarstukken van de Organisatie goedkeuren en openbaar maken;
beslissingen nemen ten aanzien van de samenstelling van het noodzakelijke personeel;
een jaarverslag of jaarverslagen uitgeven;
die bevoegdheden hebben en al die andere functies uitoefenen welke noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de bepalingen van dit Verdrag.
**3.** De Raad komt minstens eenmaal per jaar bijeen en wel daar waar de Raad zelf zal beslissen.
**4.** Elke Staat welke lid is van de Organisatie brengt één stem uit in de Raad.
**5.** De beslissingen van de Raad worden genomen met een gewone meerderheid van stemmen van de Lidstaten welke vertegenwoordigd zijn en welke hun stem uitbrengen, behalve indien hieromtrent in dit Verdrag anders wordt bepaald.
**6.** Waar in dit Verdrag of in het daaraan gehechte Financiële Protocol wordt bepaald dat een bepaalde aangelegenheid met een twee derde meerderheid van alle Lidstaten door de Raad dient te worden goedgekeurd, en indien deze aangelegenheid rechtstreeks met een bepaald programma verband houdt, dient deze meerderheid tevens een twee derde meerderheid van alle aan dat programma deelnemende Lidstaten te vertegenwoordigen.
**7.** Behalve wanneer in dit Verdrag of in het daaraan gehechte Financiële Protocol wordt bepaald dat voor een bepaalde aangelegenheid de met algemene stemmen verleende goedkeuring van de Raad is vereist of dat de bedoelde aangelegenheid de goedkeuring behoeft van een twee derde meerderheid van alle Lidstaten, heeft geen enkele Lidstaat het recht zijn stem uit te brengen met betrekking tot een aangelegenheid die binnen de krachtens artikel II door de Raad vastgestelde grenzen van een programma valt, wanneer hij niet aan dat programma deelneemt of indien de bedoelde aangelegenheid niet rechtstreeks verband houdt met een programma waaraan hij wel deelneemt.
**8.** Een Lidstaat heeft niet het recht zijn stem in de Raad uit te brengen, indien het bedrag van zijn achterstallige bijdragen aan de Organisatie hoger is dan het bedrag van de verschuldigde bijdragen voor het lopende boekjaar en het onmiddellijk daaraan voorafgaande boekjaar. Evenmin heeft hij het recht zijn stem in de Raad uit te brengen met betrekking tot een bepaald programma, indien het bedrag van zijn achterstallige bijdragen aan dat programma hoger is dan het bedrag van de verschuldigde bijdragen voor het lopende boekjaar en het onmiddellijk daaraan voorafgaande boekjaar. De Raad kan niettemin met een twee derde meerderheid van stemmen van alle Lidstaten beslissen dat een zodanige Staat zijn stem toch mag uitbrengen indien de Raad ervan overtuigd is dat de niet-betaling te wijten is aan omstandigheden waarop de betreffende Staat geen invloed kan uitoefenen.
**9.** Voor het in discussie brengen in de Raad van welke aangelegenheid ook is, om een quorum te kunnen vormen, de tegenwoordigheid van de afgevaardigden van een meerderheid van de Lidstaten, die gerechtigd moeten zijn ter zake van de desbetreffende aangelegenheid hun stem uit te brengen, noodzakelijk.
**10.** Met inachtneming van de bepalingen van dit Verdrag stelt de Raad zijn eigen huishoudelijk reglement vast.
**11.** De Raad kiest een President en twee Vice-Presidenten die een jaar in functie blijven en die ten hoogste bij twee opeenvolgende gelegenheden herkozen mogen worden.
**12.** De Raad roept, behalve een Commissie voor het Wetenschappelijk beleid en een Financiële Commissie, die andere hulporganen in het leven waaraan in het belang van de Organisatie, en met name met het oog op de uitvoering en coördinatie van haar verschillende programma's behoefte zou kunnen bestaan. De oprichting en de opdrachten van zodanige organen worden vastgesteld door de Raad met een twee derde meerderheid van stemmen van alle Lidstaten. Met inachtneming van de bepalingen van dit Verdrag en van het daaraan gehechte Financiële Protocol, stellen de bedoelde hulporganen hun eigen huishoudelijk reglement vast.
**13.** In afwachting van de nederlegging van de akten van bekrachtiging of van toetreding kunnen de in lid 1 van artikel III bedoelde Staten zich doen vertegenwoordigen op de bijeenkomsten van de Raad en deelnemen aan het werk van de Raad tot 31 december 1954. Dit recht omvat niet het stemrecht tenzij de betreffende Staat tot de Organisatie heeft bijgedragen in overeenstemming met de bepalingen van lid 1 van artikel 4 van het aan dit Verdrag gehechte Financieel Protocol.
Artikel V
De Raad
Onderdeel van Verdrag tot oprichting van een Europese Organisatie voor kernphysisch onderzoek· Internationaal publiekrecht
Deze tekst geldt sinds 17 januari 1971