Naar hoofdinhoud

Artikel VII

Financiële bijdragen

Onderdeel van Verdrag tot oprichting van een Europese Organisatie voor kernphysisch onderzoek· Internationaal publiekrecht

Deze tekst geldt sinds 17 januari 1971

1. Alle Lidstaten dragen bij in de kapitaalsuitgaven en in lopende bedrijfsonkosten van de Organisatie gedurende de periode welke afloopt op 31 december 1956 als vastgesteld in het aan dit Verdrag gehechte Financieel Protocol en, daarna, overeenkomstig schalen die elke drie jaar door de Raad worden vastgesteld met een twee derde meerderheid van alle Lidstaten en welke gebaseerd zijn op het gemiddelde netto nationale inkomen tegen factorkosten van elke Staat welke lid is van de Organisatie over de laatste drie voorafgaande jaren waarover statistieken aanwezig zijn, met die uitzondering dat ten aanzien van elk programma de Raad, met een twee derde meerderheid van alle Lidstaten, een percentage kan vaststellen dat als maximum geldt dat een Lidstaat kan worden verplicht te betalen als zijn deel van het totale door de Raad vastgestelde bedrag der bijdragen om de jaarlijkse kosten van dat programma te bestrijden. Nadat een zodanig maximumpercentage aldus is vastgesteld, kan de Raad dit met dezelfde meerderheid wijzigen, tenzij een aan dat programma deelnemende Lidstaat zijn stem daartegen uitbrengt. de Raad kan besluiten met een meerderheid van twee derde van alle Lidstaten, bijzondere omstandigheden van een Staat welke Lid is van de Organisatie in aanmerking te nemen en de bijdrage van die Staat dienovereenkomstig aan te passen. Voor de toepassing van deze bepaling is er met name van een bijzondere omstandigheid sprake, wanneer het nationale inkomen per hoofd van een Lidstaat lager is dan een door de Raad met een zelfde meerderheid vast te stellen bedrag. 2. Indien de deelneming door de Organisatie aan een nationaal of multi-nationaal project een programma van de Organisatie vormt, zijn de bepalingen van lid 1 hierboven van toepassing, tenzij de Raad, met een twee derde meerderheid van alle Lidstaten, anders bepaalt. 3. De krachtens lid 1 van dit artikel door een Staat welke lid is van de Organisatie te betalen bijdragen zullen worden berekend ten aanzien van, en uitsluitend worden aangewend voor, de programma's waaraan deze Lidstaat deelneemt. 4. De Raad eist dat Staten welke na 31 december 1954 tot dit Verdrag toetreden een speciale bijdrage betalen ten aanzien van de reeds door de Organisatie gemaakte kapitaalsonkosten met betrekking tot de programma's waaraan zij deelnemen, boven de bijdrage voor toekomstige kapitaalsuitgaven en lopende bedrijfsonkosten. De Raad vordert een soortgelijke bijdrage van de Lidstaten met betrekking tot een programma waaraan zij, nadat daarmede een begin is gemaakt, voor het eerst deelnemen. Het bedrag van deze speciale bijdrage wordt vastgesteld door de Raad met een meerderheid van twee derde van alle Lidstaten. Alle overeenkomstig de bepalingen van bovenstaand lid 4 a betaalde bijdragen zullen worden aangewend ter vermindering van de bijdragen van de andere Lidstaten met betrekking tot de desbetreffende programma's. 5. De krachtens de bepalingen van dit artikel verschuldigde bijdragen worden betaald overeenkomstig het aan dit Verdrag gehechte Financieel Protocol. 6. Binnen de krachtens het bepaalde onder a van lid 1 van artikel VI aan hem overgedragen bevoegdheid, en met inachtneming van eventueel door de Raad te geven aanwijzingen, kan een Directeur-Generaal voor de Organisatie bestemde giften en legaten aanvaarden mits aan zodanige giften en legaten geen voorwaarden verbonden zijn welke onverenigbaar zijn met de doelstellingen van de Organisatie.

Rechtspraak bij dit artikel