Naar hoofdinhoud
1). Onverminderd het in het tweede lid bepaalde wordt het recht van elk van beide Staten om de inkomsten uit roerend kapitaal bij wege van inhouding aan de bron te belasten, niet beperkt door het feit dat deze inkomsten aan de directe belastingen slechts onderworpen zijn in de Staat bedoeld in artikel 2, eerste lid. 2). Ten aanzien van de belasting op de inkomsten uit roerend kapitaal welke een van de beide Staten heft bij wege van inhouding bij de bron, kan de genieter van deze inkomsten die zijn woonplaats in de andere Staat heeft, binnen een termijn van twee jaren, door tussenkomst van de Staat waar hij woont, op grond van een ambtelijke verklaring aangaande de woonplaats en aangaande het feit dat hij in de Staat waar hij woont aan de directe belastingen onderworpen is, de terugbetaling vragen: wat betreft dividenden: van het gehele bedrag van de belasting in geval de genieter van de dividenden een lichaam is, waarvan het kapitaal geheel of gedeeltelijk in aandelen is verdeeld en dat tenminste 25 percent bezit van het maatschappelijke kapitaal van het lichaam dat de dividenden betaalt, mits de verhouding tussen de beide lichamen niet in het leven is geroepen of wordt gehandhaafd in de eerste plaats met het doel het voordeel van de gehele terugbetaling te genieten; van het bedrag van de belasting dat 15 percent van de dividenden overschrijdt, in alle andere gevallen; wat betreft de andere inkomsten uit roerend kapitaal: van het bedrag van de belasting dat 5 percent van de kapitaalopbrengst overschrijdt.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel