**1.** Indien een vonnis is gewezen tegen een Staat die partij is bij de Overeenkomst en die Staat aan dit vonnis geen gevolg geeft, kan de partij die zich op dit vonnis beroept, vorderen dat uitspraak wordt gedaan over de vraag of aan het vonnis gevolg moet worden gegeven overeenkomstig de artikelen 20 of 25 van de Overeenkomst door het voor te leggen:
hetzij aan de bevoegde rechter van die Staat overeenkomstig artikel 21 van de Overeenkomst;
hetzij aan de Europese Rechtbank, ingesteld overeenkomstig de bepalingen van Titel III van dit Protocol, mits die Staat partij is bij het Protocol en niet de verklaring heeft afgelegd, bedoeld in Titel IV.
De keuze tussen deze beide mogelijkheden is definitief.
**2.** Indien de Staat het voornemen koestert de zaak voor te leggen aan zijn rechter overeenkomstig het bepaalde in artikel 21, eerste lid, van de Overeenkomst, moet hij de partij te welker gunste het vonnis is gewezen, hiervan mededeling doen; hij kan zich alleen maar tot zijn rechter wenden, indien die partij de zaak niet binnen een termijn van drie maanden na ontvangst der mededeling heeft voorgelegd aan de Europese Rechtbank. Nadat die termijn is verstreken, kan de partij te welker gunste het vonnis is gewezen, de zaak niet meer voorleggen aan de Europese Rechtbank.
**3.** Onverminderd hetgeen moet worden verricht voor de toepassing van de artikelen 20 en 25 van de Overeenkomst, mag de Europese Rechtbank zich niet begeven in een onderzoek omtrent de gronden waarop het vonnis berust.
TITEL I
Artikel 1
Artikel 1
Onderdeel van Aanvullend Protocol bij de Europese Overeenkomst inzake de immuniteit van Staten· Internationaal publiekrecht
Deze tekst geldt sinds 22 mei 1985