In dit Verdrag en de daarbij behorende Bijlagen worden aan de volgende uitdrukkingen de hierna vermelde betekenissen gehecht:
Het grondgebied van de Bondsrepubliek Duitsland: het gebied waarover de Bondsrepubliek rechtsmacht uitoefent, met inbegrip van zijn wateren en het luchtruim boven dat gebied en die wateren.
De Drie Mogendheden: de Verenigde Staten van Amerika, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Britannië en Noord-Ierland en de Franse Republiek.
Andere staat van herkomst: iedere Mogendheid, met uitzondering van de Drie Mogendheden, welke krachtens een overeenkomst met de Drie Mogendheden of een van haar, op het ogenblik van inwerkingtreding van dit Verdrag krijgsmachten gestationeerd heeft op het grondgebied van de Bondsrepubliek Duitsland; en iedere andere Mogendheid welke in de toekomst eventueel krijgsmachten gestationeerd zal hebben op het grondgebied van de Bondsrepubliek Duitsland,
vóór het inwerkingtreden van de regelingen betreffende de Duitse Verdedigingsbijdrage: krachtens een overeenkomst met de Drie Mogendheden, of een van hen, voor zover die andere Mogendheid niet, met toestemming van de Drie Mogendheden, een afzonderlijke overeenkomst met de Bondsrepubliek Duitsland sluit inzake de rechtspositie van haar krijgsmachten, en
na het inwerkingtreden van de regelingen betreffende de Duitse Verdedigingsbijdrage: krachtens een overeenkomst met de Bondsrepubliek.
De betrokken Mogendheid: die Mogendheid, welker rechten en verplichtingen bij een bepaald geval zijn betrokken, namelijk:
in het geval van een van de Drie Mogendheden: die Mogendheid;
in het geval van een andere staat van herkomst:
diegene van de Drie Mogendheden, welke genoemd is als de betrokken Mogendheid op basis van een overeenkomst, waarvan mededeling moet worden gedaan aan de Bondsregering, tussen de staat van herkomst en de Drie Mogendheden of een van hen; of
de staat van herkomst zelf, voor zover deze, na zich vergewist te hebben van de inzichten van de Bondsregering, bij een met de Drie Mogendheden of een van hen gesloten overeenkomst tegenover de Bondsrepubliek alle of bepaalde rechten en verplichtingen, welke uit dit Verdrag voortvloeien, op zich neemt en de Bondsregering daarvan officieel mededeling doet; ten aanzien van de overige rechten en verplichtingen, een van de Drie Mogendheden, welke ingevolge punt (i) van (b) van dit lid aan de Bondsrepubliek moet worden genoemd.
De krijgsmachten: de gewapende krijgsmachten van de Drie Mogendheden en van andere staten van herkomst, welke zijn gelegerd op het grondgebied van de Bondsrepubliek Duitsland.
De autoriteiten van de krijgsmachten: de autoriteiten van de krijgsmachten van de betrokken Mogendheid.
Leden van de krijgsmachten:
personen die, uit hoofde van hun militair verband, dienen bij de gewapende krijgsmachten van de Drie Mogendheden of van een andere staat van herkomst, en zich op het grondgebied van de Bondsrepubliek bevinden (militair personeel);
andere personen die in dienst van zodanige gewapende krijgsmachten zijn of daaraan zijn toegevoegd, met uitzondering van personen die noch onderdanen zijn van een van de Drie Mogendheden noch van een andere staat van herkomst en werkzaam zijn op het grondgebied van de Bondsrepubliek Duitsland; met dien verstande dat zodanige andere personen die buiten het grondgebied van de Bondsrepubliek of Berlijn zijn gevestigd, slechts dan als leden van de krijgsmachten worden beschouwd wanneer zij zich uit hoofde van hun functie op het grondgebied van de Bondsrepubliek Duitsland bevinden („Gefolge”).
De volgende personen worden beschouwd als „leden van de krijgsmachten”: gezinsleden die gehuwd zijn met of kinderen zijn van de onder (a) en (b) van dit lid omschreven personen, of naaste bloedverwanten die door zodanige personen worden ondersteund en voor wie deze personen recht hebben op materiële hulp van de krijgsmachten. De definitie „leden van de krijgsmachten” omvat slechts die Duitsers, die dienst hebben genomen bij, of zijn aangeworven door, of in dienstbetrekking stonden tot de gewapende krijgsmachten van de betrokken Mogendheid op het grondgebied van die Mogendheid en die op dat ogenblik òf aldaar hun vaste verblijfplaats hadden òf aldaar ten minste een jaar hadden gewoond.
Duitsers: Duitsers in de zin van de Duitse wet.
Onroerende goederen: gronden, met inbegrip van alle duurzaam daaraan verbonden eigendommen, en alle gebruiksrechten met betrekking tot gronden, met inbegrip van die eigendommen welke gebruikt worden of zullen worden door de krijgsmachten binnen het grondgebied van de Bondsrepubliek Duitsland.
Installaties: gronden, gebouwen, of delen daarvan en alle duurzaam daaraan verbonden eigendommen, welke ingevolge de bepalingen van dit Verdrag worden bestemd voor het uitsluitende gebruik of bezit („im ausschliesslichen Besitz”) van de krijgsmachten. Deze definitie geldt niet voor artikel 20 van dit Verdrag.
Voor inwerkingtreding zie ook Trb. 1957/229.
DEEL EEN
Artikel 1
Definities
Onderdeel van Notawisseling tussen de Nederlandse en de Britse Regering inzake de uitoefening van rechten en verplichtingen welke ten aanzien van de in de Bondsrepubliek Duitsland gestationeerde Nederlandse militaire eenheden voortvloeien uit twee op 26 mei 1952 te Bonn gesloten en op 23 oktober 1954 te Parijs herziene Verdragen· Staats- en bestuursrecht
Deze tekst geldt sinds 11 juni 1956