Naar hoofdinhoud
1. De betrokken Mogendheid beslist over verzoeken om uitlevering van leden der krijgsmachten. 2. De Duitse autoriteiten stellen de bevoegde autoriteiten der Drie Mogendheden schriftelijk in kennis van een ontvangen verzoek om uitlevering wanneer dit afkomstig is van een Regering van een andere dan één der Drie Mogendheden, tenzij zulk een uitlevering bij de Duitse wet is verboden. 3. Binnen een en twintig dagen na ontvangst van een kennisgeving krachtens lid 2 van dit artikel, kunnen de autoriteiten van één of meer der Drie Mogendheden de Duitse autoriteiten mededelen dat zij op grond van veiligheidsoverwegingen bezwaar tegen de uitlevering hebben. 4. Indien de Duitse autoriteiten niettemin van plan zijn een dergelijke uitlevering uit te voeren, wordt de zaak voor een beslissing ten aanzien van de gegrondheid van de krachtens lid 3 van dit artikel gemaakte bezwaren aan een arbiter voorgelegd, die niet de nationaliteit bezit van een der partijen bij het geschil of van de Staat welke het verzoek om uitlevering deed en die benoemd wordt door de President of de Vice-President van het in artikel 9 van het Verdrag inzake de betrekkingen tussen de Drie Mogendheden en de Bondsrepubliek Duitsland bedoelde Scheidsrechterlijk Tribunaal. Zijn beslissing is voor alle partijen bindend en is niet onderworpen aan herziening. 5. Totdat het in lid 3 van dit artikel bedoelde tijdvak van een en twintig dagen is verstreken en totdat de arbiter ten aanzien van het geschil een uitspraak heeft gedaan, voeren de Duitse autoriteiten de uitlevering niet uit zonder toestemming van de autoriteiten der bezwaarmakende Mogendheid of Mogendheden. Voor inwerkingtreding zie ook Trb. 1957/229.

Rechtspraak bij dit artikel